Hoeveel geven andere landen aan ouders als ondersteuning?

De Nederlandse kinderopvang vergelijken met het buitenland is erg ingewikkeld. Cijfers zijn niet recent, de prijzen, ouderbijdragen en wat de overheid betaalt, verschilt allemaal per land.

Adviesbureau Capgemini deed vergelijkend onderzoek naar kinderopvang in acht landen in 2005. Hieruit bleek ook dat de toeslagen voor kinderopvang sterk per land verschillen. Zo hoeft in Zweden een ouder slechts maximaal 136 euro per maand per kind aan kinderopvang te betalen. De overheid dekt in Zweden 90 procent van de totale kosten voor opvang. Ook voor Vlaamse ouders hoeft kinderopvang niet veel te kosten: zij betalen 28 tot maximaal 505 euro per maand per kind.

In Engeland is de kinderopvang stukken duurder: ouders betaalden daar ten tijde van het onderzoek 862 euro per maand per kind voor de kinderopvang. Ouders moeten in Engeland voor ongeveer driekwart van de totale kosten zelf opdraaien.

Dat zijn de uitschieters. Nederland vormt samen met landen als Duitsland, Denemarken en Frankrijk de middenmoot wat de kosten voor ouders betreft. In Nederland moesten ouders in 2010 ongeveer eenvijfde van de kosten voor opvang zelf betalen. In 2011 stijgt dat naar 26 procent, en de komende jaren neemt dat dus nog verder toe.

Tussen landen zijn ook grote verschillen in hoe de opvang geregeld is. Zo gaan bijvoorbeeld in Denemarken bijna alle kinderen dagelijks naar de opvang, gedurende het hele jaar. Veel opvang voor niet-schoolgaande kinderen (nul- tot driejarigen) wordt geboden door ‘familiedagplege’: een soort gastouderopvang. De lokale overheid richt faciliteiten in waar gastouders (en de kinderen waarop zij passen) elkaar kunnen ontmoeten.