Het Torentje wordt gemeden en bemind

Lubbers hing er een kruis, Rutte kreeg een gewei van Balkenende en Kok genoot er van de intimiteit. Zes bewoners over hun Torentje.

Ruud Lubbers was vastbesloten: als premier zou hij werken in het Torentje, het achthoekige, vijftiende-eeuwse bouwsel op de hoek van het Binnenhof. Derk Ringnalda, Lubbers’ hoogste ambtenaar, gaf hem te verstaan dat een premier op het ministerie van Algemene Zaken hoorde. Het Torentje, hoewel ernaast, was daar geen onderdeel van. Dat hoorde bij Binnenlandse Zaken. Een vicepremier, zoals Hans Wiegel, had er mogen zitten, maar niet de primus inter pares.

Maar topambtenaren krijgen niet altijd hun zin. Lubbers, die het Torentje had gebruikttoen hij informateur was, zei: „Dat kan wel zo zijn, maar ik zit hier goed en ik blijf hier zitten”. Tenminste, zo herinnert Lubbers zich de conversatie.

De historici Henk te Velde en Diederik Smit vroegen hem er onlangs naar voor het boek Van Torentje tot Trêveszaal. De geschiedenis van de Noordzijde van het Binnenhof, dat morgen wordt gepresenteerd. Het boek bevat een aantal wetenschappelijke opstellen over de geschiedenis van de interessantste gebouwen op het Binnenhof, zoals Torentje, Trêveszaal en de huidige vergaderzaal van de Eerste Kamer. Ook de belangrijkste gebruikers komen aan bod. In het laatste hoofdstuk, ‘Huiskamers van de macht’, vertelt premier Mark Rutte over zijn werkomgeving, net als de vijf ex-premiers die nog in leven zijn.

Het was een weloverwogen beslissing om de werkkamer van de premier in het Torentje te vestigen, vertelt Lubbers. „Het is goed dat de mensen zien dat er niet alleen Algemene Zaken is, maar een aparte minister-president.” Want de premier „is een teamleider”. Voor Ringnalda, herinnert Lubbers zich, was dat „een schok”.

Door zijn intrek in het Torentje te nemen begon Lubbers een gewoonte die al snel de status kreeg van een decennia oude traditie. „Dat uitdrukkingen als ‘Torentjesoverleg’ niet verder teruggaan dan Lubbers is niet zo relevant”, concluderen de samenstellers van het boek: „dat ze nú spreekwoordelijk zijn, dat is waar het om draait.”

Voormalig premier Wim Kok moest zichzelf zelfs corrigeren in het interview met de twee historici: nee, het was waar, de premier had niet altijd in het Torentje gezeten, maar voor hem vóélde het wel bijna zo. Wat daarbij misschien hielp is dat de grote staatsman Rudolf Thorbecke er ooit al had gezeten.

Ook Koks opvolger Jan Peter Balkenende noemt het Torentje een symbool en vertelt hoe „wij” (je mag aannemen: Balkenende en zijn staf) daar „gebruik van maakten” door dassen en manchetknopen een beeltenis van het Torentje te geven.

Van de vijf nog levende ex-premiers zegt alleen Piet de Jong dat het „gewoon een kamer” was. Van buiten nog wel mooi, maar van binnen klein, „niets bijzonders”. Zijn werkkamer was het ook niet.

In hun omgang met hun werkplaats laten de premiers ook iets zien van hun verschillende werkstijlen. Het grootste contrast lijkt te bestaan tussen de huidige premier Rutte en de man die twee paarse kabinetten leidde, oud PvdA-leider Wim Kok. Rutte geniet „als historicus” van het uitzicht vanuit het Torentje. „Als ik naar de directeur van het Kabinet van de Koningin aan de overkant [van de Hofvijver] zwaai, dan zwaaien bij wijze van spreken Thorbecke en Groen van Prinsterer naar elkaar.” Maar Rutte vertelt ook dat hij het liefst op pad is, weg van het Torentje. Dus als die directeur van het Kabinet van de Koningin belt „dan zeg ik: ik kom wel naar jou toe.” Rutte is zoveel weg dat hij nog „niet eens” heeft ontdekt waar de kantine in het gebouw is.

Kok, die minstens zo enthousiast over de werkplaats is als Rutte, vertelt dat hij daarentegen juist „nauwelijks buiten het Torentje” kwam. „Want iedereen komt naar jou”.

Balkenende op zijn beurt klaagt dat de Tweede Kamer hem voor „ieder wissewasje” dwong het pand te verlaten.

De premiers tonen zich enigszins trots op de kleine schaal van hun ministerie en hun werkplek. Dat past bij Nederland, zeggen ze. Wim Kok vertelt hoe zijn toenmalige Duitse collega Helmut Kohl hem eens opzocht in het Torentje. De Duitser „die geen bescheiden omvang heeft” zette zich moeizaam in de „toch groot uitgevallen leren stoel”. Hij vroeg: „is dit jouw Bundeskanzleramt?” Kok: „Dat hij die vraag stelde, was voldoende om te zien wat hij van de plek vond.” Zelf was Kok er juist tevreden over. „De besloten intimiteit werkte schroom en grenzen weg”.

In zo’n kleine ruimte valt ieder attribuut op. Premier Rutte heeft het opgezette vogeltje laten staan dat Balkenende voor hem achterliet. „Een luistervinkje”. Weg is wel het gewei dat Balkenende als cadeau voor Rutte aan de muur had laten spijkeren. In plaats daarvan heeft de eerste premier van VVD-huize een prent van Thorbecke opgehangen. Die had hij gekregen van de eigenaar van een antiquariaat waar hij in zijn studietijd stage liep. Rutte zegt zich te kunnen herinneren dat ook Lubbers een beeldje van Thorbecke in het Torentje had staan.

Zelf memoreert Lubbers het houten kruis dat hij boven de deur had gehangen, een cadeau van een Italiaan die langskwam om te spreken over de viering van 700 jaar Franciscus van Assisi in Nederland.

„Volgens de goede katholieke gewoonte hebben we het toen boven de deur van mijn werkkamer gehangen. Dat gunde ik mijzelf en bovendien vond mijn secretaresse het mooi.”

Het kruis bleef er twaalf jaar hangen, hoe zuur de „licht anti-paapse” Kamervoorzitter Dick Dolman er ook naar heeft zitten kijken. Lubbers: „Er waren natuurlijk genoeg mensen die zeiden: een kruis boven de deur van de minister-president, dan kan helemaal niet.” Maar voor Lubbers betekent het kruis dat het Torentje ook „een bepaald persoonlijk cachet” heeft.

Pieter van Os

‘Van Torentje tot Trêveszaal. De geschiedenis van de noordzijde van het Binnenhof’. Henk te Velde en Diederik Smit. Uitgeverij. De Nieuwe Haagsche. 444 blz, 29,95 euro.