'Het systeem is verrot en corrupt. Kan het volk daar iets aan doen?'

Grieken in Nederland worden aangesproken op de problemen in hun land. Zij nemen hun landgenoten in bescherming. „Een land met zoveel cultuur en historie. Dat gaat nooit failliet.”

‘Crisismenu. Mixed grill voor twee personen: 29,95 euro.’ Met wit en blauw krijt is de aanbieding van het Griekse restaurant Sirtaki op een bord gekalkt. De Griekse bedrijfsleidster Sofia Lois lacht. „Geintje van de baas.” Maar dan wel één met een serieuze ondertoon. Steeds meer gasten klagen bij Sirtaki over de financiële crisis in Griekenland. Het land zou de schuldhulp – Griekenland wil tot 2013 110 miljard euro lenen – niet kunnen terugbetalen. Lois, ze woont al 40 jaar in Nederland: „We zijn bang dat mensen even niet bij de Griek willen eten, omdat ze dan denken hun geld in een bodemloze put te storten. Met ons crisismenu willen we hen over de streep trekken.”

Dat de gasten van Sirtaki klagen, is geen wonder. Het debat over de schuldhulp aan de Grieken beheerst al weken het nieuws. De toon wordt steeds feller en richt zich nu ook op de Griekse bevolking. Grieken worden lui en corrupt genoemd en zouden bovendien te vroeg met pensioen gaan. PVV-leider Geert Wilders noemde Griekenland in de Tweede Kamer „een junk”, die om geld zou bedelen om „de euroverslaving” te stillen. Wat hem betreft mag er geen cent extra naar het land. Woorden die door VVD-fractieleider Stef Blok worden omschreven als „onverantwoord.”

In Nederland wonen zo’n 15.000 Grieken. Eind jaren vijftig kwamen ze als gastarbeider om fabriekswerk te doen. In eigen land heerste ook toen een financiële crisis. Utrecht werd de bakermat van Grieken in Nederland, blijkt uit de tentoonstelling ‘50 jaar gastarbeiders in Utrecht’.

Dat gebeurde bij toeval, vertelt samensteller Ries Adriaansen: „De Griekse bonthandelaar Charilaos Chiotakis woonde sinds 1922 in Utrecht. Zijn faam bracht landgenoten naar de stad. Hij hielp hen vervolgens werk te vinden in de fabrieken. Doordat daarna de Griekse restaurants populair werden, hebben de Grieken zich verspreid over het land.” Anno 2011 wonen er 1.448 Grieken in Utrecht.

Uit een rondgang door de stad blijkt dat veel Grieken boos zijn over het beeld dat er van hen heerst. „Ik begrijp het gewoon niet. Iedereen lijkt ineens tegen Griekenland te zijn.” Giorgos Tsianavas (47) – grijs haar, donkerbruine ogen, bedrijfspolo onder de vlekken – zit hoofdschuddend op een stoel in zijn restaurant ’t Dikkertje. De tafels zijn nog leeg. De laatste tijd vragen zijn klanten steeds of Grieken echt zo lui zijn. „Lui! Hoe kunnen mensen dat nu denken? Ik werk 80 uur per week. De meeste Grieken zijn harde werkers.” Maar de restauranteigenaar begrijpt het beeld wel. Volgens hem is daar één groep in zijn land verantwoordelijk voor. De ambtenaren. „Het systeem is verrot, de politiek corrupt. Maar kan het volk daar iets aan doen?”

Christos Tsouvelekidis (55) knikt. Hij zit in het kantoor van Alleato, een Utrechts adviesbureau voor sociale vraagstukken, waar hij administrateur is. Een rustige man met een grijze snor en ruitjesoverhemd. Zijn vader behoorde in 1963 tot de eerste groep gastarbeiders in Nederland. Zelf kwam hij op veertienjarige leeftijd naar Utrecht. In zijn hart bleef hij echter altijd Griek, daarom doet het Tsouvelekidis pijn dat Griekenland ‘de bedelaar van Europa’ is geworden.

„Hoe kan de Griekse regering nu denken dat het de kredietverstrekkers om de tuin kan leiden”, vraagt Tsouvelekidis zich af. „Dat is de corruptie. De ambtenaren steken het geld gewoon in eigen zak. Ik verwijt de politici in Griekenland álles.” Maar ook bedrijven die Griekenland dure – militaire – benodigdheden blijven verkopen, snapt de administrateur niet. „Ze hebben boter op hun hoofd. Je duwt Griekenland steeds verder het moeras in.”

Net als Tsianavas meent Tsouvelekidis dat het Griekse volk geen enkele blaam treft. Een zure grijns. Hij hoorde de Duitse bondskanselier Merkel laatst roepen dat Grieken harder moeten werken. Hij dacht: je weet niet waar je over praat. „Het volk heeft het krediet niet verkwanseld, maar ze moeten wel de gevolgen dragen via de toegenomen belasting en lagere lonen. Er wordt hen onrecht aangedaan.”

In restaurant Mykonos – hartje Utrecht – is het druk. De flamboyante eigenaar Konstadinos Banoutsos (56) laveert in een rood jasje langs de tafels. Zijn halflange grijze haar danst op zijn schouders. Later op de avond zal hij voor zijn gasten Griekse liederen zingen. Hij vertelt enthousiast over zijn restaurant, dat hij 26 jaar geleden opende. „Zeven dagen per week, 24 uur per dag werken. Een zwaar leven, maar we zitten nu elke dag helemaal vol. Daar ben ik trots op.”

Hij maakt graag een praatje met zijn gasten. Natuurlijk ook over de crisis in Griekenland. Eigenlijk lacht hij altijd, maar toen laatst een gast zei dat zijn belastinggeld rechtstreeks naar Griekenland ging, vond Banoutsos dat niet leuk. „Ik woon in Nederland en betaal ook belasting. Net als u”, had hij gezegd. Want zo’n opmerking valt hem zwaar. Net als het gegeven dat iedereen lijkt te negeren dat Griekenland voor de hulp gewoon rente betaalt.

Een punt dat restauranteigenaar Tsianavas en administrateur Tsouvelekidis eerder al maakten. Tsianavas riep geëmotioneerd dat Griekenland „geen cadeautjes hoeft”. Hij wil maar zeggen: laat Nederland het geld maar in eigen zak steken, als ze het niet vertrouwen. En Tsouvelekidis, bij Alleato zelf verantwoordelijk voor de kas: „Sorry hoor, maar minister De Jager (van Financiën, red.) maakt gewoon winst op die lening. Griekenland krijgt niets voor niets.”

Het scenario dat Griekenland failliet gaat, is voor de mannen onbespreekbaar. Tsouvelekidis verwoordt de algemeen heersende mening dat Europa Griekenland geld moet blijven lenen, als er maar een vinger aan de pols gehouden wordt. „Als je nu stopt met helpen, krijg je het geld nooit meer terug.” Banoutsos staat op om vertrekkende gasten een hand te geven. Over een faillissement wil hij niet eens praten. Hij draait zich om en steekt een vermanende vinger op. „Een land met zoveel cultuur en historie. Dat gaat nooit failliet. Onmogelijk.”