Het haringgelul

Mijn jongste dochter stuurde me een filmpje waarop 1-jarig zoontje Jens even verbaasd als gulzig in een forse haring bijt. Hij zit in zijn kinderstoel aan tafel, terwijl zijn vader hem de haring in het mondgat stort. Bij elke adempauze kijkt hij verwachtingsvol naar de haring boven hem. Aan de overzijde moedigt zijn oudere broertje Hidde hem luidkeels aan.

Jong gegeten, oud gedaan? De kans is groot, maar het hoeft niet. Mijn dochter nam ik vroeger altijd mee naar een haringkar in Laren, waar ze blij toehapte. Vijfentwintig jaar later laat ze de haring ook haar eigen gezin in glijden, maar zoon Hidde moet er al niets meer van hebben, hoewel ook hij aanvankelijk een liefhebber leek te worden.

Zelf ben ik in mijn liefde voor de haring sterk door mijn vader beïnvloed. Ik denk vaker aan hem, maar zeker op de eerste dag van de Hollandse Nieuwe, die eigenlijk Noorse Nieuwe zou moeten heten, want daar worden ze tegenwoordig vooral gevangen. De haring die hij ’s avonds onverwachts mee naar huis nam, werd door ons als een delicatesse begroet.

Hij was een gretige, maar kritische haringeter. Van hem heb ik geleerd dat bij het eten van haring walging en genot dicht bij elkaar liggen. Dat wil zeggen: een haring die om een of andere reden – te oud, te zout – minder goed smaakt, proeft al snel uitgesproken smerig. Hij hield dan na een, twee happen subiet op en gooide de haring met een gezicht vol afgrijzen weg.

Hij heeft ook jarenlang gevonden dat je haring alleen in het westen van het land moest eten, niet diep in de provincie, „want dan zijn ze al een dag oud”. Haring in Limburg? Voor hem een potsierlijke combinatie. Pas toen de koelingssystemen verbeterden, was hij te vermurwen.

Dat liep niet altijd goed af. Ik herinner me hoe hij tijdens een vakantie haring kocht op een kermis in het Groningse Leek. Nog voor we bij de auto terugwaren, moest hij hevig braken. Het was de eerste keer dat ik meemaakte hoe snel en onverbiddelijk voedselvergiftiging kan toeslaan.

Bij haring hoort gelul. Elk jaar als de Hollandse Nieuwe binnenkomt, begint het weer. Is-ie vetter, zouter, dikker en duurder dan vorig jaar? Bij de visboer stond ik gistermiddag naast een struise vrouw in spijkerpak die met Amsterdamse stelligheid tegen me zei: „Ik vond hem vorig jaar niet zo lekker als het jaar daarvoor.”

„Dat heb ik niet zo gemerkt”, zei ik naar waarheid.

Ze bezag me als iemand die er geen verstand van had, nam een hap van de nieuwste Nieuwe en zei tegen de vrouw van de visboer: „Hij is minder vet dan vorig jaar.”

De vrouw keek haar met vrolijke ogen aan en zei met even grote stelligheid: „Welnee, hij is een stuk vetter.” Heel moedig, want juist in zaken die voedsel verhandelen lijkt het me lastig om de klant niet naar de mond te praten.

Ik nam mijn haringen burgerlijk in een pakje mee naar huis. Ik houd niet van dat staande haring eten te midden van andere ‘kenners’. Je let meer op elkaar dan op de haring.

„Lekker?” vroeg mijn vrouw onder het eten. Ik knikte, maar ik was genoeg haringsnob om te verzwijgen dat ik geen enkel verschil met de haring van vorige week proefde. Het zou best kunnen dat die hele Hollandse Nieuwe één grote fake is. Geeft niets, als het maar lekker is. Ik liet haar ook een stukje proeven. „Niet vies”, zei ze, „maar geef mij maar een stukje kaas.”

Tot zover het haringgelul van dit jaar.