Grootmeester van het compromis

Voormalig topambtenaar en SER-voorzitter Theo Quené was „100 procent toegewijd aan de publieke zaak”. Dat hij zijn PvdA-activiteiten moest opgeven, deed pijn.

Toen de Tweede Wereldoorlog in 1945 was afgelopen had Theo Quené, geboren in 1930, „vijftien jaar chaos achter” zich. Na zijn studie aan de Landbouwhogeschool wilde Quené een bijdrage leveren aan de wederopbouw van Nederland en het voorkomen van chaos. „Daarom wilde ik bij de overheid werken, daar ben je bezig met het ordenen van stukjes van de samenleving”, zei Quené. Hij kon ook aan de slag bij bierbrouwer Heineken. „Nog geen fractie van een seconde heb ik over het aanbod van Heineken nagedacht”, zei Quené. „Ik wilde het algemeen belang dienen.”

Voormalig topambtenaar en voorzitter van de Sociaal-Economische Raad Theo Quené is zaterdag op 80-jarige leeftijd overleden. Van 1985 tot en met 1996 was hij voorzitter van het belangrijkste niet-ambtelijke adviesorgaan van het kabinet. „Ik verschaf neutrale grond aan de vertegenwoordigers van belangenclubs. Hier kunnen ze vertrouwelijke gesprekken voeren en verdwijnen de scherpe kantjes in het debat”, zo omschreef hij zijn functie. En wanneer de SER onder vuur lag, verdedigde hij het instituut met verve. Oud-premier Ruud Lubbers karakteriseerde de SER ooit als „een baal hooi die alles afremt”. Volgens Quené „een gotspe”, „een karikatuur” en „een volstrekt tekort aan historisch en maatschappelijk besef”. Het streven naar consensus is, volgens Quené, „een typisch Nederlands fenomeen”. „Je kunt je afvragen wat de kip en het ei is, of de SER een expressie van het consensusdenken is of dat de SER nu juist een drager van dat consensusmodel is”, zegt Quené in Verzuilde dromen, 40 jaar SER. „Ik denk allebei.

Theo Quené werd geboren in Oostzaan. Zijn ouders waren vanuit Amsterdam verhuisd omdat de huren in Oostzaan lager waren. Het protestants-christelijke gezin met vier kinderen verhuisde in 1940 naar Tiel waar zijn vader ambtenaar werd. Na het gymnasium studeerde Quené aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. Als planoloog vervulde hij diverse functies in overheidsdienst.

Voordat Quené voorzitter werd van de SER was hij secretaris-generaal op het ministerie van VROM en van 1978 tot 1985 voorzitter van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid. „Hij was gepokt en gemazeld in het ambtelijk circuit, dus hij moest even wennen”, zegt toenmalig raadslid Arie van der Zwan. „Wetenschappers hebben minder oog voor gezag.” Quené gaf de leden alle ruimte en vond dat de WRR rapporten moest maken die niet tot stand kwamen in het traditionele overlegcircuit. Eén van die rapporten was ‘Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie’ onder leiding van Van der Zwan. Quené typeerde dit rapport als „een doorbraak”. De Nederlandse industrie was verouderd en had zich onvoldoende aangepast aan de verschuivingen op de wereldmarkt. De aanbevelingen van het rapport legden de basis voor een nieuw beleid van Economische Zaken.

Quené was een grootmeester in het tot stand brengen van compromissen. „Hij was volstrekt integer en honderd procent toegewijd aan de publieke zaak”, zegt de huidige SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan. Na zijn vertrek bij de SER vervulde Quené veel bestuursfuncties, waaronder voorzitter van de VROM-raad, interim-bestuurder in Zaanstad en van de Leidse universiteit.

Quené was lid van de PvdA en vaste bezoeker van de zogeheten braintrust-bijeenkomsten, PvdA-politici en PvdA-intellectuelen in wie Joop den Uyl veel vertrouwen had. Als WRR-voorzitter moest Quené van toenmalig CDA-premier Dries van Agt zijn PvdA-activiteiten opgeven. Met tegenzin, het voelde als een belediging van zijn integriteit.