Een leven als een roman

Meer dan een schrijver nog was de gisteren gestorven Jorge Semprún een getuige van de twintigste eeuw. Zijn eigen leven bleef altijd de leidraad in zijn werk.

Jorge Semprún oogde breekbaar, toen hij vorig jaar zomer in Brussel werd geïnterviewd. Eén sessie bleek niet genoeg om alle belangstellenden te herbergen en nóg moesten er grotere zalen worden gezocht. Semprún was oud geworden, maar het publiek hing aan zijn lippen. Vertellen kon hij nog altijd, al ging de articulatie moeizaam. Gisteren overleed hij in zijn woonplaats Parijs, op 87-jarige leeftijd.

Meer dan een schrijver was Semprún een getuige geweest: in hem kwam een belangrijk deel van de Europese geschiedenis van de twintigste eeuw samen. Zijn grootvader was meermalen minister geweest onder de laatste Spaanse koning vóór Franco. Tijdens de burgeroorlog fungeerde zijn vader als ambassadeur voor de Republiek, onder meer in Den Haag. Semprún zelf streed in de Franse ondergrondse tegen de Duitse bezetter, werd gevangen genomen, gemarteld en naar concentratiekamp Buchenwald gestuurd. Hij vertelde er uitgebreid over in Wim Kayzers documentaire Nauwgezet en wanhopig (1989).

In het Franse verzet was Jorge Semprún communist geworden en na de oorlog bleef hij dat, als lid van de clandestiene Spaanse communistische partij. Vanuit Frankrijk, waar hij werk gevonden had als vertaler voor de Unesco, reisde hij regelmatig naar het vaderland dat hij alleen van zijn kinderjaren kende. Onder de schuilnaam Federico Sánchez speelde hij een belangrijke rol in de organisatie van het communistische verzet tegen Franco. Tot hij in 1964 uit de partij gestoten werd wegens dissidente ideeën en ongetwijfeld ook omdat men zijn grootburgerlijke afkomst altijd was blijven wantrouwen. ‘Altijd een bourgeois gebleven,’ moet de legendarische Pasionaria ooit misprijzend over hem hebben gezegd.

Semprúns uitstoting uit de communistische partij maakte de weg vrij voor het schrijverschap dat hij kort daarvoor opnieuw had opgenomen. Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog was hij al begonnen zijn herinneringen aan de gebeurtenissen die achter hem lagen op papier te zetten. Maar de pijn daarvan was nog te heftig geweest.

Met zijn eerste, in het Frans geschreven roman De grote reis uit 1963 vestigde hij direct de aandacht op zich. Het boek beschrijft zijn deportatie per trein naar Buchenwald, onderbroken door talloze sprongen in de tijd, naar het verleden en de toekomst. Die sprongsgewijze manier van vertellen zou Semprún in bijna al zijn boeken blijven aanhouden. Zoals hij ook tot kort voor zijn dood voornamelijk in het Frans is blijven schrijven en zijn eigen leven als voornaamste leidraad is blijven hanteren. Over het concentratiekamp schreef hij in 1980 de roman Wat ’n mooie zondag! en in 2002 De dode met mijn naam, over zijn werk voor de communistische partij en zijn uitstoting in Autobiografie van Federico Sánchez uit 1977 en tien jaar later in Netsjajev is terug. Voor Alain Resnais schreef hij over zijn clandestiene werk in 1966 het filmscenario La guerre est finie (De oorlog is voorbij).

Meer dan tien filmscripts schreef Jorge Semprún, en ruim een dozijn romans en autobiografische vertellingen. De wonderlijkste daarvan verscheen in 1993 onder de titel Federico Sánchez groet u, over zijn ministerschap onder de socialistische premier Felipe González, van 1988 tot 1991. Na bijna vijfentwintig jaar was hij teruggekeerd in de actieve politiek – om te ontdekken dat de bevoegdheden van zijn cultuurministerie grotendeels waren overgeheveld naar de Spaanse autonome deelregeringen. En vooral om verwikkeld te raken in de grimmige loopgravenstrijd binnen het Spaanse kabinet, waarin hij keer op keer in aanvaring kwam met de machiavelliaanse vice-premier Alfonso Guerra.

Zijn grootste voldoening, zo schrijft Semprún in dit boek, was dat hij Guerra als minister toch nog enkele maanden wist te overleven. Het bekrachtigde voor de tweede keer zijn afscheid van de praktische politiek, maar niet van zijn engagement, dat zich steeds meer ging richten op Europa. In 2005 publiceerde hij samen met de voormalige Franse premier Dominique de Villepin een hartstochtelijk pleidooi voor de Europese identiteit: L’homme européen. Ook in Brussel voer er vorig jaar, zodra dat thema ter sprake kwam, nog iets bezwerends in zijn stem.

Tussen leven en literatuur zat voor Jorge Semprún nooit veel ruimte. In zijn laatste roman, Twintig jaar en een dag (2003) schrijft hij: ‘Nu zul je wel begrijpen [...] waarom het me zoveel moeite kost [...] romans te schrijven die echte romans zijn: bij elke stap, op elke pagina stuit ik op de werkelijkheid van mijn eigen leven, op mijn persoonlijke existentie, op mijn herinneringen: waarom zou je iets verzinnen als je zo’n romanachtig leven hebt geleid waar eindeloos veel stof voor een verhaal in zit?’