De nachtmerrie van de dolzinnige ervaringseconomie

Club Zeus. Regie: David Verbeek. Met: Ray Zhao, Zheng Qi, Fu Ran. In: 5 bioscopen ****

Club Zeus, de vierde film van wonderkind David Verbeek (32), is een lowbudgetfilm. In tien dagen in Shanghai geschoten voor 50.000 euro, geïmproviseerd rond een script van veertig pagina’s. Dat leverde 40 minuten film op die werd opgevuld met stadsbeelden die nog over waren van zijn film Shanghai Trance (2008). Waarna hij nog eens 60.000 euro binnenhaalde voor de afwerking.

Resultaat is een vrij korte film – 75 minuten – maar zonder twijfel ook Verbeeks beste film tot nu toe. Club Zeus wordt bevolkt door echte mensen, niet door belichamingen van vervreemding, isolement en onvermogen. Het is alsof iemand Verbeek heeft los gemasseerd, zoals de hoofdpersoon in zijn knappe, maar geforceerde R U There dat vorig jaar door Cannes werd geselecteerd. Club Zeus is minder levenloos, minder opzichtig doordacht, en juist daarom dieper dan zijn eerdere films die te braaf het werk zijn Taiwanese idolen Tsai Ming-liang en Hou Hsiao-hsien nabootsten. Hier blijft de camera niet kuis op afstand, maar durft hij de kijker mee te voeren en onder te dompelen in de zwoele waterwereld van club Zeus.

Dat Verbeek zich wel erg opzichtig laat inspireren door de documentaire The Great Happiness Space uit 2006, is een ondergeschikt bezwaar. Die film draaide om de 22-jarige Japanner Issei, de ‘Osaka Love Thief’, die in zijn club twintig mooie jongens drilt tot ‘host’. In Club Zeus is het toneel verplaatst naar Shanghai – hosting, in 1966 in Tokio begonnen, heeft zich over het hele Verre Oosten verspreid. Leonardo – 24 jaar, 1.74, babyface met gruizige mannenstem – kan royaal leven van commissie op flessen champagne. Die bestellen zijn klanten, vrouwen die betalen voor aandacht, vriendschap, liefde en soms seks. Al kan je seks beter vermijden, want het moet een droom blijven. Leonardo’s doel is de dames te laten smachten, ze verslaafd te maken aan een gefingeerde liefdesrelatie. Iedereen weet dat het nep is, toch blijven ze komen, de eenzame carrièrevrouwen en rijke echtgenotes, maar ook vrouwelijke hostesses van andere clubs. Want: „Hosting maakt eenzaam. Daarom kan de business van zichzelf leven.”

In Club Zeus keert de 27-jarige Sly na een jaar afwezigheid terug bij zijn ‘kleine broer’ Leonardo, wiens rolmodel hij is. Nog één keer maakt Sly contact met de klantenkring die hij een jaar geleden zo abrupt verliet en palmt de dames weer moeiteloos in met pruilerig gedoe, zielige verhalen of brutaliteit: wat zij maar willen horen. Eén dame heeft een aparte positie: Jade, zelf een hostess. Geeft Sly om haar, wil hij haar redden van de leegte, of is dat slechts een sluwe strategie om nog meer champagne uit haar te trekken?

Club Zeus is de ultieme neoliberale nachtmerrie, waarin liefde – niet lust, echte liefde – een consumptieartikel is. Een toneelspel waarin de host de altijd luisterende, attente, glad gekapte en geklede supervriend speelt. Een spel dat van zijn kant niet liefdeloos is: hoe meer empathie hij in zijn werk legt, hoe beter hij zijn klanten bespeelt. Zo wordt elke emotie verdacht: eindstation is narcisme, cynisme en eenzaamheid. Club Zeus lijkt een uitvergroting van de mentaliteit van de eerste generatie die opgroeide in de ‘experience economy’ waar je niet langer producten, maar ‘ervaringen’ en ‘emoties’ koopt, je vrienden en dates van internet plukt en gebruikt zolang ze je behoeftes bevredigen en alles in een rollenspel verandert.

Dat is een meerwaarde van Club Zeus boven de documentaire The Great Happiness Space, waar je eerder kijkt naar een bizarre levensstijl en de emotionele complicaties daarvan. Dat Verbeek zelfs scènes kopieert - als de jongens uit de donkere club het kille ochtendlicht tegemoet wandelen en zich over de stad verspreiden bijvoorbeeld - is hem vergeven.