Land der Dichter und Denker

‘De geschiedenis van de wetenschap geeft ons de troostende zekerheid dat wij door experiment en observatie erin zullen slagen om het wonder van het organische leven te ontsluieren, dat wij in staat zullen zijn over alle oorzaken die een aandeel hebben in de verschijningsvormen van het leven, vastere uitkomsten te verkrijgen.” Dat zei, in het

‘De geschiedenis van de wetenschap geeft ons de troostende zekerheid dat wij door experiment en observatie erin zullen slagen om het wonder van het organische leven te ontsluieren, dat wij in staat zullen zijn over alle oorzaken die een aandeel hebben in de verschijningsvormen van het leven, vastere uitkomsten te verkrijgen.” Dat zei, in het midden van de negentiende eeuw, de chemicus Justus von Liebig, de verpersoonlijking van het Verhagense ideaal van toegepaste wetenschap en innovatiedrang en de uitvinder van het bouillonblokje en kunstmest.

In tijden van onzekerheid moet je van je voedsel op aankunnen

Liebig stond niet alleen. In de negentiende eeuw bloeide de Duitse wetenschap op het hoogste niveau. Nog steeds scoort Duitsland uitstekend op alle internationale academische lijstjes. Het is een van de weinige Europese landen met een bètawetenschapper als regeringsleider – Angela Merkel. Zij studeerde zowel chemie als natuurkunde. Bij mijn weten is ze de eerste bèta als regeringsleider sinds Margaret Thatcher.

Hoe is het dan mogelijk dat Duitsland, het land van dichters en denkers, afzakt naar een bijna middeleeuwse sfeer van hetze en heksenjacht na de uitbraak van de EHEC-bacterie? Waar de ene na de andere schuldige wordt aangewezen, zonder serieuze, wetenschappelijke onderbouwing? Waar vrijwel alle autoriteiten in paniek over elkaar heen buitelen in plaats van de bevolking te manen tot geduld en kalmte? Waar gerespecteerde wetenschappelijke instituten luchthartig meedoen aan het publiek maken van half gefundeerde uitspraken – „beslist geen groente eten”? Waar iedereen de proporties uit het oog verliest, alsof het een pestepidemie betreft in plaats van een weliswaar ernstige ziekte, maar één waarvan de besmetting van mens op mens – nog – niet is aangetoond en het aantal doden in de orde van grootte valt van verkeersslachtoffers?

Deze betreurenswaardige gang van zaken ligt niet alleen aan het gebrek aan coördinatie tussen de Bundesländer, maar valt alleen te begrijpen als je bedenkt dat Duitsland ook het land is van Die Grünen. Hun cocktail van deels gefundeerde technologiekritiek, goedbedoelde bangmakerij en schwärmerische oplossingen is meer dan in enig ander land een succes gebleken. Die Grünen zijn, zeker in het laatste decennium, salonfähig geworden. Ze spelen in op het fundamentele ongemak van de burgerij. Bij steeds meer mensen groeit het gevoel dat voedsel dat van ver komt of op industriële wijze wordt geproduceerd, niet ‘goed’ kan zijn. Die Grünen bieden een emotioneel tegenwicht tegen de grote, internationale vertaktheid van de voedselketen en de kwetsbaarheid van falende controlesystemen. Zwalkend tussen utopie en realpolitik is hun programma bijna onweerstaanbaar – biologische, landschapsvriendelijke, ‘natuurlijke’ landbouw, 100 prozent gentechnikfrei, wie wil dat niet?

In hun verlangen naar het natuurlijke staan Die Grünen bepaald niet alleen. Prins Charles, met zijn Frankenfood, ging hen voor, en met hem vele Duitsers.

In de negentiende eeuw was de eerbied voor de wetenschap ook maar flinterdun en ideologisch gekleurd. De Duitse voedingsleer, mede ontwikkeld door Liebig, was niet alleen het product van de opkomst van wetenschappelijke methoden, maar ook van de negentiende-eeuwse Naturheilkunde. Die bevat, behalve gezond verstand, ook een fikse dosis kwakzalverij – en erger.

In tijden van onzekerheid moet je op zijn minst je voedsel kunnen vertrouwen. Als dat niet zo blijkt te zijn, laait de emotie hoog op. Het vertrouwen van consumenten daalt tot het nulpunt. De EHEC-bacterie demonstreert voor veel mensen dat al het wantrouwen, gevoed door Die Grünen en anderen, tegenover de kwaliteit van ons voedsel en de rol van grote conglomeraten volkomen terecht was. Tegenover dergelijke emoties maak je je als politicus niet populair door de rede aan te roepen.

Toch zie ik maar één weg vooruit – die van moedig leiderschap, in Duitsland en in Europa. Het meehuilen met de wolven over de gevaren in de voedselketen is een uiterst gevaarlijke en kortzichtige strategie. Alleen transparantie over hoe groot de risico’s echt zijn, wat we weten en niet weten en wat serieus wetenschappelijk onderzoek kan opleveren, helpt ons vooruit. Een risicovrije voedselketen bestaat niet, ook al zouden alle Duitsers of Europeanen de drastische keuze maken om voortaan alleen lokaal voedsel te consumeren en alle dierlijke producten uit te bannen. De complexiteit van onze voedselketen is een onvermijdelijk bijproduct van een samenleving waarin 97 procent – of meer – van de mensen is vrijgesteld van de zorg voor de productie van ons dagelijks brood.

Het zou Duitsland sieren als alle partijen, Die Grünen voorop, de gebeurtenissen zouden aangrijpen om een breed maatschappelijk debat te voeren, op basis van experiment en observatie, zoals Justus von Liebig al bepleitte, over de toekomst van de voedselvoorziening in Duitsland, Europa en in de wereld. Wie weet dat Die Grünen zich dan zullen herkennen in de woorden van die andere dichter en denker, Goethe: Auch das Unnatürlichste ist die Natur.