Inzicht in de zwaartekracht

Erik Verlinde (1962) onderzoekt de bouwstenen van het heelal. Hij is hoogleraar theoretische fysica aan de Universiteit van Amsterdam.

Verlinde is een expert in de snaartheorie, een poging om de wereld van het heel grote (beschreven door de zwaartekrachttheorie van Einstein) en de wereld van het heel kleine (beschreven door de quantummechanica) met elkaar te verenigen. Verlindes belangrijkste werk wordt gevormd door de Verlinde-algebra en de Verlinde-formule, instrumenten van de mathematische fysica die gebruikt worden in de zogeheten veldentheorie. Verder: de Witten-Dijkgraaf-Verlinde-Verlinde-vergelijkingen uit de snaarfysica en de Cardy-Verlinde-formule.

In 2010 baarde Verlinde opzien met zijn hypothese dat de zwaartekracht geen fundamentele natuurkracht is, maar een emergent verschijnsel – een gevolg van bepaalde statistische eigenschappen van massa, ruimte en tijd op een microscopisch niveau. Op die kleinste lengteschalen gelden niet langer de wetten van Newton die voor appels en planeten wel gelden; die wetten komen pas tevoorschijn op grotere lengteschalen. Vergelijk het met de druk die een gas uitoefent: één molecuul heeft geen druk, maar in een vat dat is gevuld met talloze gasmoleculen heerst wel druk. Toen Verlinde de statistische eigenschappen van massa, ruimte en tijd in termen van informatie formuleerde, bleek hij zowel de wetten van Newton af te kunnen leiden als de gravitatiewetten van Einstein.

„Het moment waarop ik dat inzicht kreeg, was voor mij euforisch”, zegt hij. „Echt een eurekamoment. Ik denk dat dit een heel nieuw fundamenteel inzicht biedt in de zwaartekracht, dat nu verder uitgebouwd moet worden. Het zal nog wel een tijdje duren voor collega’s deze opvatting van de zwaartekracht algemeen accepteren.” In 2010 kreeg Verlinde ook al 2 miljoen euro van de Europese Unie.

Wat gaat u met het geld doen?

„Van het geld zal ik in de eerste plaats jonge onderzoekers aanstellen. Ik zoek vooral mensen die me kunnen helpen bij het onderzoek dat aansluit bij mijn ideeën over de zwaartekracht. Daar ligt voor mij de grootste uitdaging. Verder wil ik ook wat meer ervaren onderzoekers naar Amsterdam halen. Ik ken wetenschappers die graag naar Amsterdam willen komen, maar dan wel voor een langere tijd dan één of twee jaar. Ten slotte wil ik een deel van het geld besteden om mijn ideeën over de zwaartekracht op een professionelere manier bij het brede publiek te brengen. Ik word veel gevraagd voor lezingen, ook voor middelbare scholieren, en ik heb wel wat ideeën om die kennisoverdracht professioneler te maken. Meer gebruik maken van visualisaties en internet bijvoorbeeld.”

Wat vindt u van het huidige wetenschappelijke klimaat in Nederland?

„Eigenlijk vind ik het onderzoeksklimaat in Nederland heel goed. De mogelijkheden voor onderzoeksfinanciering zijn vergeleken met het buitenland prima. Bijvoorbeeld in Engeland hoor ik verhalen die veel meer zorgen baren. Op een paar punten maak ik me wel zorgen over het Nederlandse onderzoeksklimaat. Voor jonge onderzoekers is het moeilijk om een vaste aanstelling te krijgen. Zij moeten vaak te lang van postdocbaan naar postdocbaan springen. Mijn tweede punt van zorg is de grotere nadruk die lijkt te komen liggen op toepassingen van onderzoek. Dat ondergraaft het belang van fundamenteel onderzoek.”

Bennie Mols