Ik heb het landschap ontworpen

Op Capri ging Joris van Casteren op zoek naar de villa van de schrijver Malaparte.

De queeste naar ‘het mooiste huis ter wereld’ verliep anders dan verwacht.

Op een vrijdag in mei kom ik met mijn dochter van zeven op het Italiaanse eiland Capri aan. We nemen een taxi zonder dak naar hoofdplaats Capri, een verpest dorp vol toeristen. Van daaruit volgen we een smal pad langs villa’s met zwembaden. We zien palmbomen, cactussen en citroenstruiken.

Het pad leidt naar de ongerepte oostkant van het eiland waar ik Casa Malaparte hoop te vinden, het mooiste huis ter wereld. De Italiaanse schrijver Curzio Malaparte (pseudoniem van Kurt Erich Suckert, 1898-1957), auteur van literair-journalistieke meesterwerken als Kaputt en De huid, liet het vanaf 1937 op een rotspunt bouwen. Het huis drukt uit wat Malaparte was: vervreemd van alles en iedereen maar volstrekt geniaal.

Het pad kronkelt verder, over de rotsen en langs de strakblauwe zee. „Als ik twee grote dalmatiërs heb noem ik ze Kwijltje en Baars”, zegt mijn dochter. Ze raapt dennenappels op en maakt foto’s van een hagedis en een zeemeeuw. Ik heb koekjes en frisdrank meegenomen. „We zijn twee ontdekkingsreizigers die een geheimzinnig kasteel moeten zien te vinden”, zeg ik. „Ja ja”, zegt mijn dochter, „vertel liever over die Romeinse keizer die mensen in zee liet gooien.”

Op de boot van Napels naar Capri heb ik haar verteld over Tiberius, die van 26 tot 37 na Christus op Capri woonde. Tiberius was een wrede heerser: veroordeelden liet hij aan vleeshaken over de grond slepen. Na tergende martelsessies werden ze in zee geworpen vanaf het pleintje voor zijn palazzo op Capri. Zo kindvriendelijk mogelijk doe ik verslag van de gruweldaden.

Ik zwijg over de orgies waar Tiberius aan verslingerd was. ‘Sluitspierartiesten’ noemde hij de losbandige deelnemers. Tiberius liet zuigelingen aanvoeren. Hij legde ze aan lid en tepels, na het bereiken van een hoogtepunt slingerde hij ze in zee.

Over de orgies las ik in Lapidarium van Ryszard Kapuscinski (1932-2007), die het weer van de Romeinse historicus Suetonius had. Kapuscinski, die andere literair-journalistieke grootheid, bezocht Capri in de jaren negentig. Hij schrijft dat de weergaloze schoonheid van het afgezonderde eiland Tiberius’ ‘wantrouwen en argwaan tegenover de mensen’ versterkte, met steeds beestachtiger gedragingen als gevolg. Vreemd genoeg zwijgt hij over Malaparte en zijn huis. Terwijl hij vertrouwd was met diens werk: in een interview omschreef hij Malapartes werk als ‘non-fictie die de poëzie zeer dicht nadert’.

De reputatie van dubieus liefdeseiland heeft Capri altijd behouden. Onder meer de schrijvers Graham Greene, Norman Douglas, Campton Mackenzie en de Duitse staalfabrikant Friedrich Alfred Krupp gaven zich hier over aan pedoseksueel vertier.

Na een uurtje wandelen zie ik tussen boomstammen door het rode huis op de rotspunt liggen, met de kenmerkende trapeziumvormige trap die overgaat in het dak. Brigitte Bardot dartelde daar rond, samen met Michel Piccoli, tijdens de opnames van Jean-Luc Godards film Le Mépris.

„Daar beneden ligt het”, roep ik opgewonden naar mijn dochter, die in de schaduw van een rotsblok is gaan zitten. „Ja duh, hoe komen we daar?” Van het pad splitsen zich twee steile paden af die naar het huis leiden. Maar die paden, zo blijkt, komen uit op een hek. „Iemand kan het hek toch voor ons openmaken”, zegt mijn dochter.

Een paar weken eerder had ik contact met Fondazione Giorgio Ronchi, een culturele instelling die het huis sinds 1972 in beheer heeft. Het gebouw was in die tijd sterk verwaarloosd, zoals ook te zien is in Le Mépris. Met hulp van de stichting kwam er geld om het op te knappen.

Aan de telefoon sprak ik een dame van de stichting. Zij vertelde dat de nabestaanden van Malaparte voor zeventig procent eigenaar zijn gebleven. Ze eisen het huis voor zichzelf op en laten nauwelijks nog iemand toe. „U kunt proberen om zelf het huis te bereiken”, zei de dame aan de telefoon, „maar dat is op eigen risico.”

Malaparte, die tijdens zijn leven heulde met zo’n beetje alle ideologieën, wilde helemaal niet dat er na zijn dood familieleden in zijn huis zouden gaan wonen. Hij liet het na aan de communistische partij van China, wat net als zijn bekering tot het katholicisme op zijn sterfbed als een grote schok werd ervaren. De familieleden lieten het er niet bij zitten en vochten het testament aan. De rechter stelde hen in het gelijk.

„Jij houdt zoveel van zijn boeken”, zegt mijn dochter, „hij vindt het vast goed als we er even naartoe lopen.” Tussen de naaldbomen zie ik een derde pad, meer een spoor eigenlijk. We volgen het spoor dat smaller en smaller wordt en langs de rand van een klif voert, in de diepte slaan golven stuk op de rotsen. Ik houd stekelige takken opzij en til mijn dochter over stenen heen.

We stuiten op een afrastering van roestig prikkeldraad. „Misschien moeten we teruggaan”, zegt mijn dochter. „Niks daarvan”, zeg ik, en til het roestige prikkeldraad omhoog. Eerst gaat mijn dochter er onderdoor, dan de tas en dan ik.

Ik klop zand van haar af en blaas een rode mier van haar pet. We passeren een kippenhok en een stapel brandhout. „Misschien wonen er mensen, laten we teruggaan.” „Nu ga ik echt niet meer terug”, zeg ik.

We komen op een groot pad, dat recht naar het huis leidt. Dit moet het pad zijn waar de Duitse generaal Rommel liep. In De huid (1949) beschrijft Malaparte het onverwachte bezoek van Rommel in het voorjaar van 1942. „Met verbazing zag ik dat hij een hoogst eigenaardig gevormde schedel had: buitensporig lang, of liever gezegd opgerekt, zoals bij een enorme gele peer.”

Malaparte leidde Rommel rond door z’n huis en bood hem een glas Vesuviuswijn aan. Rommel vroeg of hij het huis kant en klaar had gekocht. Ja, zei Malaparte, wat niet waar was: hij ontwierp en bouwde het deels zelf. „En met een weids gebaar wees ik op de steile wand van Matromania, de drie gigantische rotsen van de Klippen, het schiereiland Sorrento, de eilanden van de sirenen, de azuren verten van de kust van Amalfi en het verre gulden schijnsel van de oever van Paestum en ik zei: ‘Ik heb het landschap ontworpen.’” Rommel vertrok. Op het pad draaide hij zich met een ruk om en staarde hem met ‘een harde blik’ aan.

We lopen de trapeziumvormige trap op naar het dak, een langgerekt plateau dat als een duikplank boven de zee uitsteekt. „Het is net of we in een schilderij terecht zijn gekomen”, zegt mijn dochter.

Ik maak foto’s van haar, zij maakt foto’s van mij. We gaan achter de beroemde witte wering zitten, niemand kan ons nog zien. Brigitte Bardot lag hier, een opengeslagen boek op haar blote billen.

Gisteren zijn we in het Aquarium van Napels geweest. Om te zien of daar inderdaad zo weinig bijzondere vissen zijn. Dat bleek het geval: afgezien van een octopus, een paar krabben en een barracuda was er niet veel aan.

In De huid, het hoofdstuk ‘Het diner van generaal Cork’, vertelt Malaparte wat er is gebeurd met de zeldzame vissen uit het Aquarium van Napels, dat met het Aquarium van Monaco gold als het uniekste van Europa.

Vanwege het door de geallieerden afgekondigde visverbod, de Golf van Napels lag bezaaid met mijnen, was er in de oorlogsjaren nergens verse vis te krijgen. Generaal Cork gaf opdracht het aquarium leeg te halen, als een hoge geallieerde delegatie verscheen moest en zou hij verse vis op tafel hebben.

Tijdens een diner ter ere van Eisenhower werd de beroemde ‘reuzenpoliep’ verorberd, aan de stad Napels cadeau gedaan door de Duitse keizer Wilhelm II. Een groep Amerikaanse senatoren kreeg de exclusieve drakenvissen van keizer Hirohito voorgezet. Tijdens het bezoek van Vysjinski, een hooggeplaatste Sovjet-afgevaardigde, werden de kostbare pareloesters van de onderkoning van Ethiopië opgediend:

„Vysjinski was diep verbaasd geweest toen hij in elk van zijn oesters een rozige parel had aangetroffen in de kleur van de opkomende maan. (...) ‘Spuug de pit niet uit’, had generaal Cork gezegd, ‘die is verrukkelijk.’ ‘Maar het is een parel!’ had Vysjinski uitgeroepen. ‘Of course, it is a pearl! Don’t you like it?’ Vysjinski had de parel doorgeslikt, terwijl hij verbeten in het Russisch mompelde: ‘Die verrotte kapitalisten!’”

We lopen de trapeziumvormige trap weer af. „Misschien kunnen we aan de zijkant door een raam naar binnen kijken”, zeg ik. Ik hoop een glimp op te vangen van de magistrale huiskamer en de enorme open haard, waar Malaparte op een gemzenvel voor placht te liggen.

Achterin die haard is een ruit van jenaglas geplaatst. Dwars door de vlammen kon je de zee in de maneschijn zien, de uit de golven oprijzende Klippen en de rotsen van Matromania. Terwijl ik nadenk over de haard rent mijn dochter naar de voordeur. „Papa, er zijn hier twee mannen”, roept ze. De mannen rennen op mij af. Ze zijn vrij dik en dragen korte broeken. De een heeft een hemd aan, de andere is in zijn blote bast.

„Privata, privata”, roept de een. Hij heeft een grote knobbel op zijn hand en littekens op zijn bovenarm. „Ik zei toch dat we terug moesten gaan”, zegt mijn dochter.

De man in de blote bast belt iemand en geeft de telefoon aan mij. Het is een nazaat van Malaparte, de dochter van de achterneef, als ik het goed begrijp. Ze spreekt goed Engels. „U moet onmiddelijk het terrein verlaten”, zegt ze. Ik mompel iets over Fondazione Giorgio Ronchi. „Niks Fondazione, het huis is privé-bezit.”

De mannen blijken bouwvakkers te zijn, in haar opdracht restaureren ze het huis van binnen.

„Carabinieri, carabinieri”, roept de man met het ontblote bovenlijf als hij mijn fototoestel ziet. Hij pakt het af en bekijkt de foto’s die erop staan. Het zijn een heleboel foto’s, ook van vorige vakanties.

Het bezoekje van mijn dochter en mij aan Parijs komt voorbij, net als onze fietsvakantie in de Vlaamse Ardennen.

„De foto’s van het huis moeten worden gewist”, zegt de vrouw aan de telefoon. Mijn dochter begrijpt er niets van. „Wat vindt hij nou zo leuk aan onze foto’s?”

De man met de knobbel op zijn hand brengt ons naar het hek. Het is een hele wandeling, zwijgend sjokt hij achter ons aan.

Joris van Casteren (1976) is auteur van ‘Lelystad’, genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 2009. Onlangs verscheen van hem ‘Het zusje van de bruid’, een persoonlijk relaas van zijn verhouding met een steenrijke borderliner.