Iedereen door met minder

Om te beginnen wil de Raad voor Cultuur een deel van de beoogde bezuinigingen uitstellen. Om „nog grotere en onnodige schade aan de cultuursector te voorkomen” moeten de bezuinigingen ingevoerd worden in de loop van twee jaar en niet, zoals staatssecretaris Zijlstra wil, in één keer. Maar uiteindelijk komt ook de raad uit op de 125 miljoen bezuiniging waar Zijlstra om vroeg.

De algemene trend in het advies is: zoveel mogelijk organisaties behouden met minder geld. Vanuit de idee dat zowel grote als kleinere culturele instellingen, in de Randstad en daarbuiten, nodig zijn voor een „vitaal cultureel leven”. De algemene gevolgen: duurdere kaartjes, hogere prijzen voor kunstwerken en ontslagen in de kunstsector.

Gemiddeld wordt er 26 procent bezuinigd, bovenop de 5 procent die dit jaar al in de hele sector is doorgevoerd. Geen enkele discipline is uitgezonderd, maar de hoogte van de korting varieert van ‘slechts’ 18 procent op amateurkunst en educatie tot 30 procent op beeldende kunst. De grootste kostenposten van de rijkssubsidie voor cultuur zijn podiumkunsten en musea. Het advies: beide sectoren ruim een kwart korten én anders inrichten.

De meest radicale keuzes maakt de raad bij de podiumkunsten. Voor theater moeten er acht voorzieningen komen verspreid over het land, waarin ook het jeugdtheater opgaat net als de productiehuizen voor experimenteler theater en talentontwikkeling, zoals Frascati. De organisatie zou telkens rond een centraal podium zijn, wat betekent dat die podia (zoals schouwburgen) meer invloed krijgen op het aanbod. De Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten heeft al gezegd dat het haar te ver gaat podia zo’n cruciale machtspositie te geven.

Het Fonds Podiumkunsten voorspelt dat het voorstel van de raad dramatisch is voor de gezelschappen die straks buiten de structurele subsidie vallen en op het fonds zijn aangewezen. Dat geldt voor het Friese theatergezelschap Tryater dat nu nog structureel subsidie krijgt en voor twaalf van de productiehuizen, maar ook voor vele gezelschappen die al bij het fonds aankloppen. „Als het advies van de raad wordt uitgevoerd, ziet het er vooral voor het kleinschalig en het middensegment theater tamelijk beroerd uit”, zegt George Lawson, directeur van het fonds.

Ook voor de orkesten stelt de raad een ander stelsel voor: in zes steden muziekvoorzieningen. De zes huidige orkesten moeten 30 procent van hun subsidie inleveren en krimpen. Daardoor wordt hun repertoire minder: voor de Mahlers en de Bruckners moeten ze samenwerken. Twee landelijke symfonische muziekvoorzieningen blijven: het Concertgebouworkest en het Rotterdam Philharmonisch. Daarnaast blijven twee voorzieningen voor begeleiding van opera- en dansgezelschappen.

De raad wil één landelijke voorziening voor opera: De Nederlandse Opera. De twee overige opera instellingen die nu structurele subsidie krijgen, de Nationale Reisopera en Opera Zuid, moeten kleiner: zonder begeleidingskoor en decoratelier bijvoorbeeld. Ze worden mogelijk gefinancierd door het fonds.

Voor dans stelt de raad voor dat één gezelschap voorziet in een voor Nederland onderscheidend repertoire: het Nationale Ballet. Daarnaast zouden dansvoorzieningen komen in Den Haag, Rotterdam en Arnhem.

De 29 rijksmusea dachten vorig jaar nog de dans te ontspringen, omdat in het regeerakkoord staat dat erfgoed zoveel mogelijk wordt ontzien. Maar de raad vindt dat ook daar 26 procent moet worden bezuinigd. Op de collecties moet niet worden gekort, wel op de presentatie ervan; op tijdelijke tentoonstellingen en op de wetenschappelijke functie van musea. Gevolg zal zijn één of meer dagen sluiting voor publiek. Musea worden in het slechtste geval een soort depot.

Uit de museumwereld klinkt de wens dat in plaats van een algemene korting beter direct gericht bezuinigd kan worden. Siebe Weide van de Nederlandse Museumvereniging: „Het voorstel van de raad komt neer op het op de spullen passen in de vaste opstelling. Keuzes maken was beter geweest.” De nieuwe inrichting die de raad voorstelt, betekent meer samenwerking tussen de musea, met mogelijk fusies tot gevolg en een andere taakverdeling tussen rijk, gemeenten en provincies, die alle subsidiëren. Volgens Weide schieten musea daar weinig mee op. „Er wordt al bijna honderd jaar over gepraat. Ik begrijp niet de logica van een besteldiscussie op dit moment.”

Beeldende kunst krijgt van de raad relatief de grootste korting: van nu bijna 50 miljoen euro per jaar naar 35 miljoen in 2015. Het Mondriaan Fonds, dat subsidie verstrekt aan instellingen en kunstenaars, wordt gekort met 8,5 miljoen en houdt 23 miljoen over. Volgens directeur Gitta Luiten zal er zoveel beroep op haar fonds worden gedaan, door onder andere musea, dat er nauwelijks iets overblijft voor instellingen die geen structurele subsidie meer ontvangen. Dat geldt bijvoorbeeld voor vijf van de nu elf presentatie-instellingen (zoals De Appel en Witte de With) en voor individuele kunstenaars. Luiten: „Het treft de kleinere en experimentelere organisaties, met veel creativiteit en innovatie.”

Ook voor de andere vijf landelijke cultuurfondsen geldt: minder geld, meer monden te voeden. Het Filmfonds krijgt nu nog 35 miljoen en 1.350 aanvragen per jaar. Als het aan de raad ligt, wordt dat 27 miljoen en nog meer aanvragen, bijvoorbeeld van het Nederlands Film Festival, Cinekid en Holland Animation Film Festival die straks geen structurele subsidie krijgen. Daarom zal minder overblijven voor productie van films. De raad voorspelt 30 procent minder; directeur Doreen Boonekamp van het Filmfonds denkt dat de productie van speelfilms terugloopt van 30 per jaar nu tot 15 straks: „Het niveau van begin jaren negentig.”

Birgit Donker