Geweld escaleert in Syrië met dood van 120 militairen en agenten

Syrië stuurt troepen naar de stad Jisr al-Shughour in het noorden, waar volgens de Syrische regering gisteren 120 politiemannen en regeringsmilitairen werden gedood bij gevechten. Het was voor het eerst dat van regeringszijde dergelijke grootschalige gevechten werden gemeld sinds begin half maart de opstand begon tegen het regime van president Bashar al-Assad.

Over de aard van de strijd en de deelnemers werden door regering en oppositie tegenstrijdige berichten naar buiten gebracht. Sommige oppositiegroepen spraken van een mogelijke muiterij, zij het beperkt van omvang en nog geen bedreiging voor de eenheid van het leger. De regering beschuldigt verder niet geïdentificeerde „gewapende groepen” van het geweld.

Oppositiewoordvoerders zijn bang dat de Syrische regering de gemelde gevechten als aanleiding zal gebruiken om nog harder en bloediger tegen protesten op te treden dan zij nu al doet. Zo’n voornemen kan worden opgemaakt uit de troepentransporten en de regeringsmededeling dat de bevolking van Jisr al-Shughour het leger „smeekt snel in te grijpen”. Minister van Informatie Adnan Mahmoud zei dat het leger „zijn nationale plicht zal uitvoeren om de veiligheid te herstellen”. De Syrische regering vermorzelde in 1982 een gewapende opstand van de sunnitische Moslimbroederschap, wat tienduizenden mensen het leven kostte.

Volgens oppositiebronnen zijn sinds half maart meer dan 1.100 betogers gedood. Volgens de regering zijn in die tijd ook meer dan 160 politiemannen en militairen om het leven gekomen – afgezien van de doden van gisteren – bij demonstraties. De regering schrijft de verliezen toe aan het optreden van gewapende extremisten tussen vreedzame betogers. Maar volgens de oppositie gaat het om agenten en militairen die weigerden op demonstranten te schieten en op hun beurt standrechtelijk zijn geëxecuteerd. Geen van de versies kan van onafhankelijke zijde worden bevestigd, evenmin als het aantal doden aan beide zijden. Buitenlandse media worden niet tot Syrië toegelaten. Analisten wijzen er op dat elitetroepen die als volstrekt loyaal aan het regime worden beschouwd, tegen de protesten worden ingezet.

Het geweld van gisteren schreef de regering eveneens toe aan gewapende groepen, die in de stad Jisr al-Shughour regeringsgebouwen in brand staken, vijf ton dynamiet stalen en met machinegeweren en raketwerpers burgers en de veiligheidsdiensten bestookten. Ze zouden verminkte lichamen in de rivier de Orontes hebben gegooid. De gevechten zouden nog doorgaan. Als deze versie op waarheid berust, is de vraag wie deze gewapende groepen zijn en hoe zij zo zwaar bewapend komen.

Oppositie-activisten zeiden dat in de stad al sinds zaterdag een veiligheidsoperatie aan de gang is tegen opposanten, waarbij zeker 37 inwoners en tien politiemannen waren gedood. Vorige week meldden activisten dat in sommige gebieden burgers de wapens hebben opgenomen tegen de regering. De oppositie hield tot dan toe vol dat alle protest vreedzaam was.

De Franse minister van Buitenlandse Zaken, Alain Juppé, zei gisteren dat Assad zijn legimiteit om te regeren heeft verloren. Hij ging daarmee verder dan zijn Amerikaanse ambtgenoot Hillary Clinton, die vorige week nog zei dat Assads legitimiteit „bijna is verdwenen” en dat hij zijn bewind moet hervormen of vertrekken. Maar volgens Juppé is het hervormingsproces dood.

Juppé zei in Washington dat Frankrijk klaarstaat om de VN-Veiligheidsraad om een veroordeling van de Syrische regering te vragen. Tot dusverre is het Westen daarvoor teruggeschrokken. Juppé erkende dat een veto van Rusland denkbaar is. „Het is een risico, maar we zijn bereid dat te nemen.”