Geld voor de grote jongens

In de adviesaanvraag die de staatssecretaris in december deed bij de Raad voor Cultuur, voor het verdelen van de bezuinigingen op de rijkssubsidie voor kunst, heeft hij het vijf keer over „kritisch kijken” naar culturele instellingen of hun taken. Andere keren vraagt hij of er voor bepaalde categorieën instellingen nog wel plaats is in de groep die rijkssubsidie ontvangt. Het zijn vragen die lezen als instructies.

In het advies van de raad, dat eind april uitkwam, wordt de pijn van 125 miljoen euro aan bezuinigingen zoveel mogelijk gelijkelijk verdeeld. Bijna iedereen krijgt 26 procent minder. Maar dat is een aanpak die Zijlstra zelf al hanteerde bij het pakket van een eerste 75 miljoen euro aan bezuinigingen. Alle instellingen met rijkssubsidie kregen 5 procent minder, een ‘efficiencykorting’. Voor zo’n actie heeft Zijlstra de raad dus niet nodig. Hij vroeg een advies waarin knopen doorgehakt worden.

Hoe ziet het scenario van bezuinigen eruit bij een analyse van de plannen van de staatssecretaris? Al calculerend kun je uit zijn ‘instructies’ een beredeneerde keuze maken.

De raad voorziet dat het huidige budget voor de podiumkunsten gaat zakken van 225 miljoen naar 167 miljoen. Dat wordt nog minder als Zijlstra zijn eigen wensen gestalte geeft. Kwaliteit staat voorop bij het verkrijgen van subsidie, stelt hij, net als internationale uitstraling. Die overtuiging is in de discussie over de bezuinigingen uit zicht geraakt. Om dat weer scherp te krijgen, kan Zijlstra vriend en vijand verrassen door de boegbeelden van de Nederlandse cultuur ongeschonden te laten. Bij de podiumkunsten zijn dat acht instellingen, waaronder het Concertgebouworkest, De Nederlandse Opera en het Nationale Ballet. En het Nederlands Danstheater, want Zijlstra heeft al laten weten dat dit gezelschap niet van „regionaal belang” is, zoals de raad oordeelde.

Echt ongeschonden de bezuinigingen doorstaan past niet in de filosofie van Zijlstra. Een tweede efficiencykorting is waarschijnlijk het hoogst haalbare, want het ondernemerschap in de cultuursector moet constant aangevuurd worden.

Het advies van de raad gaat uit van zes regionale kernpunten voor muziek: zo worden alle tien de orkesten gehandhaafd. Maar Zijlstra wil „verdere concentratie in kernpunten” en dat „het orkestenbestel verkleind” wordt. Wie moet er afvallen? Regionale orkesten zijn er in de steden Maastricht, Eindhoven, Arnhem, Den Haag, Groningen en Enschede. Vanuit Den Haag zijn de toporkesten in Rotterdam en Amsterdam dichtbij. Die regio is dus al goed bediend. Dan Maastricht: dat orkest trekt te weinig bezoekers en haalt bovendien de norm voor eigen inkomsten van 17,5 procent niet. Eindhoven wordt het kernpunt in het zuiden. In het oosten liggen Arnhem en Enschede weliswaar ver uit elkaar (100 km), maar de keuze valt kwalitatief gezien nipt uit in het voordeel van Arnhem. Geen subsidie meer voor het Residentie Orkest, Orkest van het Oosten en het Limburgs Symfonie Orkest. Dat bespaart een kleine 15 miljoen. Over blijft de subsidie voor Het Gelders Orkest, het Brabants Orkest en het Noord Nederlands Orkest, die vaker de bus in moeten om de regio te bedienen.

De raad reserveert 36,5 miljoen voor theater en dans. Het matig onderbouwde voorstel van de raad om podia in acht steden het geld te laten verdelen en intendanten aan te stellen is voor Zijlstra ongetwijfeld te weinig uitgewerkt en onnodig bureaucratisch. Er is 25 miljoen voor die podia, meer dan nu voor de acht theatergroepen in die steden. Maar dat opent de weg om de theatergroepen artistiek verantwoordelijk te maken voor jeugdtheater en talentontwikkeling. Zij kunnen dan samenwerken of fuseren met sommige van de de dertien jeugdtheatergroepen en twintig productiehuizen die nu geen geld meer krijgen.

Zijlstra vroeg zich af of er „plaats is voor het jeugdtheater” in de nieuwe structuur en de raad heeft die vraag als een niet missen hint opgevat. Ook bij de operahuizen, de dansgroepen en de productiehuizen schrapt de raad instellingen. Zijlstra zal die keuzes volgen.

De raad handhaaft bijna het hele budget voor het Fonds Podiumkunsten. Dat is tegen de wens van Zijlstra. Hij signaleert „een relatief grote hoeveelheid kleinschalig en middelgroot aanbod”, bij uitstek een probleem dat hij wil oplossen. Het fonds moet misschien wel de helft inleveren. Rijkssubsidie is voor de grote jongens.

Ook bij de musea gaat Zijlstra het advies van de raad corrigeren. De raad dacht de 29 rijksmusea en het Kunsthistorisch Documentatiecentrum ook een kwart te kunnen korten, maar dat is Zijlstra te gortig. Hij vroeg de raad onder meer hoe de toegankelijkheid van collecties kon worden gegarandeerd „gegeven de noodzaak van een kleinere infrastructuur”: minder rijksmusea. Het hanteren van de norm voor eigen inkomsten is fataal voor het Letterkundig Museum (3 procent eigen inkomsten), Museum Meermanno (3 procent), Museum Boerhaave (8 procent) en het Volkenkundig Museum (10 procent). Besparing: 19 miljoen.

Een andere oplossing is de kleinere musea niet langer de verantwoordelijkheid van het Rijk te laten zijn, en tegelijk de definitie van cultuur strikter te hanteren. Dat kan ten koste gaan van het Afrika Museum, het Geld- en Bankmuseum, het Haags Historisch Museum, het Persmuseum, het Keramiekmuseum Princessehof, Huis Doorn, museum Slot Loevestein, de Hollandsche Schouwburg en het Muiderslot. Dat zijn ineens negen musea minder, een besparing van 6 miljoen.

Over film en letteren is Zijlstra niet zo negatief dat hij de raad, die hierop een kwart wil bezuinigen, wil volgen. Eerder zal hij de vele kleine instellingen bij beeldende kunst hun subsidie ontnemen in zijn strijd tegen „versnippering”.

Ron Rijghard