Terug naar de komkommertijd

Nu er dagelijks in de media over komkommers wordt bericht, is het tijd om de geschiedenis van het woord komkommertijd nog eens onder de loep te nemen. Nogmaals, want vier jaar geleden ging het in deze rubriek ook al over dit woord.

Aanleiding was indertijd een artikel in Wikipedia waarin werd beweerd dat het woord komkommertijd zou zijn ontstaan in een niet nader genoemde tijd toen er zomers, bij gebrek aan ander nieuws, in kranten foto’s verschenen van tuinders die glunderend enorme komkommers lieten zien.

Nu is dat onzin, dus ik paste het artikel in Wikipedia aan. Mijn aanpassingen werden echter zonder discussie geschrapt, waarop ik in deze krant een kanttekening plaatste bij de macht van de moderatoren. Een en ander leidde tot een levendige discussie. Bovendien werd het artikel komkommertijd grondig aangepast. Thans wordt het vrijwel geheel in beslag genomen door de verschillende theorieën die er over de herkomst van dit woord bestaan.

Wat is momenteel de stand van zaken? Daarvoor kan men het best kijken bij www.etymologiebank.nl, een website waar de artikelen uit twintig belangrijke etymologische woordenboeken zijn samengevoegd. Hier staat dat komkommertijd in 1871 voor het eerst is aangetroffen, met als betekenis ‘tijd van het jaar met slappe handel en weinig politiek nieuws’. Het Engels kende sinds 1700 cucumber-time (‘slappe tijd voor kleermakers’) en sinds 1865 cucumber season, maar die zijn nooit algemeen geworden. Dat maakt het, ondanks de grote gelijkenis, onwaarschijnlijk dat komkommertijd uit het Engels is overgenomen. Waarschijnlijker is dat het een leenvertaling is uit het Duits, waar men sinds het eind van de 18de eeuw spreekt van Sauregurkenzeit (ook gespeld Saure-Gurken-Zeit). ‘Zure bommentijd’ of ‘augurkentijd’ dus, maar zoals bekend worden augurken van komkommers gemaakt.

Sinds het eind van de 18de eeuw in het Duits en pas sinds 1871 in het Nederlands, het kán, maar de Duitse herkomst wordt een stuk aannemelijker als je voor de tussenliggende decennia bewijsplaatsen vindt.

In de afgelopen vier jaar zijn miljoenen boeken- en krantenpagina’s gedigitaliseerd. Vorige week kwamen er nog 11.240 boeken bij uit de periode 1781-1800, een bestand van 600 miljoen woorden. Staat daar stomtoevallig het woord komkommertijd tussen? Ja, twee keer zelfs, voor het eerst in het Rotterdamse patriottenblad Het Saturdags Kroegpraatje van 14 juli 1787. „Is er van de week ook wat nieuws van de groote Heeren uit den Haag?”, vraagt Piet hier aan Kees. „Neen”, antwoordt Kees, „maar je mot denken, het is regtevoort [momenteel] in de komkommertyd, en dan staat alles zoo wat stil.”

Vervolgens vinden we het woord in 1792 („het schijnt wel een eeuwigdurende komkommertijd”), en in 1793 zelfs in een vertaalwoordenboek („’t is in den komkommertijd. ’T is den tijd dat er niet[s] te doen valt”). Daarna komen we komkommertijd decennialang niet meer tegen. Tot het, vanaf 1858, geregeld opduikt in kranten.

Zou het in de tussenliggende decennia werkelijk niet zijn gebruikt? Nee, er zijn voor de eerste helft van de 19de eeuw simpelweg onvoldoende bronnen voorhanden. Als er ruim elfduizend bronnen nodig zijn om twee keer komkommertijd te vinden in de periode 1781-1800, heb je een vergelijkbare hoeveelheid publicaties nodig voor de eerste helft van de 19de eeuw – en die zijn er nog niet. Dat het woord vanaf 1858 geregeld in Nederlandse kranten te vinden is, sluit aan bij de ontwikkeling in Duitsland: ook daar raakte Sauregurkenzeit toen in de kranten in de mode. Er zijn nog wat detailvragen te bedenken, maar op basis van de huidige bronnen zeg ik: wij leenden komkommertijd inderdaad uit het Duits en dat deden we ruim tachtig jaar eerder dan tot nu toe werd aangenomen, namelijk al aan het eind van de 18de eeuw.