'Route is reis door mijn herinnering'

Voor beeldenroute ArtZuid koos samensteller Jan Cremer voor krachtige en grote werken. Zijn voorkeur gaat uit naar beelden die „met de klauwen zijn gemaakt”.

„Zo zie ik ze het liefst. Een krachtig, bijna grof beeld, waar je duidelijk aan kan zien dat het gewoon met de klauwen is gemaakt. Het is eigenlijk een vrij simpel beeld, maar er spreekt een soort oerkracht uit. Ze staat ook lekker stevig op de poten, om het zo maar eens te zeggen.”

Aan het woord is kunstenaar Jan Cremer, die in een razend tempo Constant Permekes vrouwenfiguur Marie Lou interpreteert, een van de beelden die momenteel op ArtZuid, een door hem samengestelde sculpturenroute in Amsterdam-Zuid, is te zien. Cremer kreeg van de organisatie van ArtZuid carte blanche om een kleine zestig sculpturen vanuit de hele wereld naar Amsterdam te halen.

Cremers selectie is divers. Niet ver van het felgekleurde Flowers That Bloom Tomorrow van de Japanner Yayoi Kusama staat een reusachtig kinetisch kunstwerk van Jean Tinguely; even verderop staat Auguste Rodins 19e-eeuwse beeltenis van schrijver Honoré de Balzac naast My Father’s Balcony, een imponerende houten sculptuur van de jonge Indiase kunstenaar Ryas Komu uit 2006.

Cremer deed tijdens het selectieproces de afgelopen twee jaar diverse ontdekkingen. En die zijn nu op de route te zien. Maar zijn favoriete werken zijn veelal kunstwerken waar hij al veel eerder mee in aanraking kwam. Net als Permekes Marie Lou gaat het dan om sculpturen die door kunstenaars zijn gemaakt waar Cremer een „verwantschap” mee voelt. Dat woord keert in de rondleiding een paar keer terug. Soms komt die verwantschap uit bewondering voort, veel vaker nog doordat Cremer de kunstenaar in kwestie persoonlijk heeft gekend. „Wat dat betreft is het samenstellen van de route ook een reis door mijn herinnering geweest.”

Neem Lotti van der Gaags Zonstraketsel uit de late jaren vijftig. Cremer: „Ik was in Parijs Van der Gaags assistent toen ze het maakte. Eén van mijn taken was het bedenken van namen voor haar kunstwerken. Misschien had ze door dat ik ook wel met taal uit de voeten kon.” Vlak naast Zonstraketsel staat The Elephant van Cobra-kunstenaar Karel Appel. Cremer noemt het „misschien wel onbewust een kleine daad van rechtvaardigheid” dat Van der Gaag zo dicht bij Appel in de buurt staat. „Van der Gaag werd in haar Parijse periode eigenlijk een beetje geweerd uit de Cobra-groep, terwijl ze fantastische dingen maakte. Men wilde toen alleen mannen toelaten tot Cobra. De kunstenaarswereld is hard, vergis je niet. Van der Gaag is de meest onderschatte beeldhouwer van Nederland, als je het mij vraagt. Ze heeft me als kunstenaar gevormd. Leerde me echt goed kijken naar de dingen. Toegewijd was ze ook. Sliep op een matras tussen de klei in het atelier.”

Cremer is nog het meest gehecht aan Rodins beeld. „Die Balzac, die ken ik ook al meer dan vijftig jaar. Ik was achttien toen ik het voor het eerst in Parijs zag, op de hoek Boulevard du Montparnasse en Boulevard Raspail. Bam, dat kwam zo naar binnen. In principe is het gewoon een klomp klei waar je tegen aan kijkt. Het is gewoon uit één stuk gemaakt.”

En ‘gewoon met de klauwen’ dus, net als Permekes beeld. „Ik moet zelf dat materiaal ook voelen, weet je wel, met m’n handen. Je kan bij wijze van spreken beelden wel vanachter de tekentafel in elkaar zetten, maar dat is niks voor mij.” Er zijn echter uitzonderingen: „Zo’n Tinguely, dat is dus meer een techneut, maar zijn Heureka is dus wel één van m’n favorieten hier op de route. Uniek ook, dat het hier staat. Het is voor het eerst dat het buiten Zürich te zien is. Drie mannetjes uit Zwitserland zijn hier mee naartoe gereisd om alles weer in elkaar te zetten. Die weten gewoon waar elk schroefje in zo’n enorm werk hoort te zitten. Het kan ook in geen enkel ander museum staan hè, zo groot is het.”

Ook Tinguely heeft Cremer gekend. „Ik woonde in 1962 in de Amsterdamse afbraakbuurt Jodenhouttuinen boven een oud-ijzerhandel toen ik werd gebeld door de directeur van het Stedelijk Museum. Hij vroeg of ik een Zwitserse kunstenaar wilde rondleiden in die zaak onder me. Hij had materiaal nodig voor z’n beelden, werd me verteld. Ik heb m’n ogen uitgekeken. Zó kon je dus ook kunst maken.”

Het zal met het reusachtige Heureka in het achterhoofd niet verbazen dat size matters voor Cremer. „Zo heb ik van Jeroen Henneman drie honden van aluminium staan, maar het liefst had ik dat enorme wiel van hem dat op het Belastinggebouw langs de A10 staat hier neergezet. Kon niet. Maar het kan mij niet groot genoeg zijn.”

Wat dat betreft spant Jan Fabre’s Searching for Utopia de kroon. Wie vanaf de Beethovenstraat de Apollolaan nadert, wordt bijna verblind door de felle lentezon die op Fabre’s ruim zeven meter lange bronzen schildpad weerkaatst. Bovenop de schildpad zit Fabre zelf, die met de teugels in zijn hand het dier berijdt. Cremer wordt er bij de aanblik even stil van. „Dit is m’n favoriet, denk ik. Het verbeeldt eigenlijk het omgekeerde van mijn toetreding tot de kunstwereld. Ik kwam met een motor binnenzeilen, Fabre zit hier op zo’n trage schildpad. Ik zie hier een tegenstelling in: het leven zo langzaam mogelijk willen beleven, maar dan wel als de king of the road. Maar goed, dat is mijn mening. Een ander zou bij die schildpad denken: daar kan ik lekker soep van trekken. Bij wijze van spreken.”

ArtZuid 2011 duurt nog tot en met 28 augustus. Inl: artzuid.nl.