Machteloze man

‘Roger! Roger!”, klonk het twee weken lang vanaf de tribunes van Roland Garros. Iedereen wilde dat hij het won, ik ook, ik wil eigenlijk altijd dat Federer het wint, behalve als hij tegen een Nederlandse tennisser speelt, want die gaan om puur nationalistische redenen voor.

Ik beluisterde het ook bij de voortreffelijke tv-commentatoren, Jan Siemerink, John van Lottum en Jan Roelfs: een bedekte voorkeur voor Federer.

Waarom toch?

Hij heeft alles gewonnen wat er te winnen valt, is schathemeltjerijk (schatkamertjerijk mag ook, als maar duidelijk wordt dat hij rijker is dan gewoon schatrijk) en heeft niet, zoals sommige topsporters, een kwaadaardig gezwel moeten overwinnen dat ons sentimenteel maakt omdat ons hetzelfde had kunnen overkomen.

Toch staan we als één man achter Roger. We stuiterden tegen het plafond toen hij Djokovic in een grandioze halve finale met die dodelijke ace afmaakte, waarna hij alle opgekropte spanning met een onfedereriaanse schreeuw loosde. Alles had Djokovic gedaan om onze sympathie te winnen: bewonderende gebaartjes naar de tegenstander, edelmoedig toegeven dat een twijfelachtige bal in was geweest. Maar we bleven hem een vervelende uitslover vinden, dé vleesgeworden sportiviteit kon alleen maar Federer heten.

Het moet met zijn zachtmoedige uitstraling te maken hebben. De schoonzoon die we allemaal willen hebben. Hij is goed voor je dochter en de kindertjes en hij legt een centje opzij. Met Kerstmis komt hij, tussen twee jetlags door, gewoon kalkoen eten en informeert hij naar het seniorentoernooitje dat zijn schoonvader heeft gespeeld. „We moeten gauw weer eens samen oefenen.”

Federer stelt zich op de baan nooit aan, blijft hoffelijk tegen de umpire en onthoudt zich van provocerende gebaren naar zijn tegenstander. Nadal is misschien een veel aardiger man, maar hij kan zijn gezicht vertrekken als een piraat die een schip geënterd heeft en zich verheugt op verkrachting en kielhalen. Tegen deze man staat Federer machteloos, hij verliest niet van de tennisser Nadal, maar van de zeerover Nadal.

We zagen het gisteren in de regenpauze van de finale gebeuren. De spelers moesten het clubhuis in, Federer dook meteen achter een gesloten deur, Nadal liet zijn deur openstaan terwijl hij zich omkleedde. Daarna bleef Nadal in het aangrenzende halletje rusteloos ronddarren, af en toe een dansje, dan weer een blik op de deur van Federer: „Waar blijf je nou?” Pas op het allerlaatste moment kwam Federer tevoorschijn, bleek, gespannen.

Nadal geniet van hun onderlinge duels, ze halen het beste in hem boven, Federer gruwt ervan, hij kan van zichzelf niet begrijpen dat hij, al zijn successen ten spijt, doodsbang is geworden voor een tegenstander.

We weten dat Federer na afloop van partijen plotseling hartverscheurend kan huilen. Dat zien we niet graag en we hopen ook daarom vurig dat hij wint, al huilt hij soms ook na winst.

Ook Mirka, zijn vrouw, gunnen we het van harte. Ze zit altijd maar eenzaam op die tribunes, naast de mannen van zijn technische staf met wie ze geen woord te wisselen heeft. Vroeger, toen hij steeds won, was er tenminste de vreugde om het succes. Tegenwoordig is het wachten op de bijl, vroeg of laat.

Lange tijd had Federer iets onoverwinnelijks. Hij was de God van het tennis, we geloofden onvoorwaardelijk in hem. Hij is nu een sterfelijk wezen geworden, net als wij, en dat willen we niet.