Kijk uit met wat je wenst

Avondmensen zijn intelligenter dan ochtendmensen. Daarbij blijft het niet. Ze zijn ook nog eens creatiever, flexibeler en beter in staat om originele oplossingen te vinden voor problemen – en ze hebben meer aanleg voor anorexia.

Dit was allemaal al langer bekend. Jaren geleden, toen ik nog aan een universiteit werkte, probeerden al mijn collega’s om het hardst om een avondmens te worden. De intelligentste collega kwam na verloop van tijd zelfs zo laat op zijn werk dat het alweer morgen was en hij per ongeluk werd aangezien voor een ochtendmens.

Het is zonder twijfel het meest onderschatte maatschappelijke en economische probleem van onze tijd dat de wereld wordt geregeerd door ochtendmensen. Niet voor niets deed de London School of Economics vorig jaar opnieuw onderzoek naar de relatie tussen bioritme en het niveau van ‘cognitieve complexiteit’. De mondiale heerschappij der ochtendmensen, de ongecompliceerde en weinig creatieve doeners, heeft economische gevolgen. Die zijn niet onverdeeld positief.

Het Londense onderzoek van vorig jaar schoot me weer te binnen nu ik overal door Nederland een roep hoor klinken om „bezieling” en „diepgang” en „ideeënvlucht”. Het is de roep van de avondmensen, natuurlijk. Ze zijn wakker geworden. Nu proberen ze de economische catastrofe af te wenden. Die komt onvermijdelijk op ons af als we verder ploeteren langs lijnen van eenduidigheid.

Wat hebben de slimme avondmensen dan toe te voegen? De grote greep, de brede blik, de langere termijn, plus een vorm van economisch denken die voor mij voorgoed is samengebald in een oneliner van econoom Amartya Sen – The coolly rational types may fill our text books, but the world is richer.

In het tijdschrift HindSight van Eurocontrol, dat gaat over veiligheid op het gebied van de luchtverkeersleiding, schreef Sydney Dekker een tijdje geleden over „botsende morele waarden”. Verschillende beroepsgroepen, zei hij, spreken een verschillende ethische taal.

Dekker, hoogleraar luchtvaartveiligheid in Zweden, had het in dat artikel over de botsing tussen luchtverkeersleiders en managers van luchtvaartmaatschappijen. De managers, zei hij, zijn meestal aanhangers van het utilitarisme. Ze zijn dus gericht op het vermeerderen van nut. Luchtverkeersleiders daarentegen zijn deontologen. Dat wil zeggen dat ze het belangrijk vinden om hun plicht te doen.

Dit was nog niet zo’n opzienbarende gedachte, maar het voorbeeld dat hij erbij gaf was verhelderend. Een paar jaar terug werd aan luchtverkeersleiders gevraagd om mee te doen aan een test om de werkdruk te laten oplopen, van zevenenveertig naar vijfenvijftig vliegtuigen. Wie durfde dat aan? Hoewel de managers dit een volstrekt rationeel en uiterst nuttig voorstel vonden, waren de verkeersleiders vervuld van afgrijzen. Zij voelden de plicht tegenover de passagiers zwaar op hun schouders wegen.

Hoe dan ook, de test werd uitgevoerd. Ze was een succes. Zulke dingen zijn altijd een succes, merkte Dekker nuchter op. „Totdat ze het niet meer zijn.” Een acute behoefte aan een verhoging van de productie schuift de chronische behoefte aan veiligheid opzij. De werkdruk wordt opgevoerd – het gaat immers goed? Dat gaat zo ver dat het niet goed meer gaat.

De twee beroepsgroepen, schreef Dekker, verschilden intussen zo van elkaar dat ze elkaar niet konden begrijpen. „lk moet de eerste zinvolle discussie of aanbeveling over de omgang met productiedruk nog zien die werkelijk in staat is deze twee volslagen verschillende ethische uitgangspunten met elkaar te verzoenen.”

Het was deze suggestie van verzoening die interessant was in het artikel van Sydney Dekker – een verzoening tussen economische efficiëntie en sociale overwegingen en tussen het maximaliseren van de winst en het dragen van verantwoordelijkheid. Het klinkt althans vruchtbaarder dan blijven volharden in de eigen visie.

Dit weekend las ik het verhaal The Monkey’s Paw – Het apenpootje – uit 1902, van W.W. Jacobs. Hier kregen de heer en mevrouw White een apenpootje cadeau. Dat bezat magische krachten. Ze konden drie wensen doen. Die zouden alle drie uitkomen. De Whites begonnen te wensen. De heer des huizes wenste tweehonderd pond om zijn hypotheek mee af te betalen.

Even later verongelukte hun zoon op zijn werk. Hoewel de baas geen enkele aansprakelijkheid aanvaardde, bood de firma toch een geldbedrag ter compensatie – tweehonderd pond. Toen moest de tweede wens nog komen.

O, dacht ik. Als alle ochtendmensen toch eens zulke verhalen zouden lezen, zouden ze beseffen dat je beter niet alleen kunt kijken naar de acute noden. Ik heb althans altijd het meest geleerd van fictie – waar avondmensen het langetermijnperspectief, de chronische behoeften van de mens en de rijkdom van de sociale verbanden schetsen.

Het probleem is natuurlijk dat ochtendmensen geen fictie kijken, of lezen, of luisteren. Ze mikken op efficiëntie. Inderdaad zijn zulke dingen altijd een succes, zou Sidney Dekker zeggen, totdat ze dat niet meer zijn.