Kiemgroenten, ook verse, zijn risicovolle producten

Laboratoriumonderzoek moet vandaag uitwijzen of alfalfa uit Bienenbüttel de bron is van de EHEC-epidemie. Al twee keer eerder werden veel mensen ziek van kiemgroenten.

Het spoor van de EHEC-infecties eindigt bij een teler van kiemgroenten: alfalfa-, broccoli- en linzenkiemen, onder andere. „We hebben een product gevonden dat bij alle grote uitbraken van de EHEC-bacterie betrokken is”, zei een woordvoerder van het ministerie van gezondheid van Niedersachsen gisteren. Dat er nu een zware verdenking op één bedrijf rust, Gärtnerhof Bienenbüttel, is dus het gevolg van epidemiologisch onderzoek. Waterdicht bewijs, in de vorm van laboratoriumtests die de bacterie aantonen, is er niet. De uitslagen worden vandaag verwacht.

Kiemgroenten zijn een risicovol product, zegt levensmiddelenmicrobioloog Wilma Hazeleger van de Wageningen Universiteit. „Er zitten altijd veel bacteriën op, zelfs als de groenten vers zijn.” De oorzaak is dat bedrijven de kiemgroenten laten kiemen bij hoge temperatuur (38 graden Celsius) en met veel vocht. „De kiemen zwellen dan snel op, maar het zijn ook omstandigheden waaronder bacteriën goed groeien.” De groente wordt bij de productie niet standaard op ziekmakende bacteriën onderzocht. „Het is altijd verstandiger om kiemgroenten niet voor te schotelen aan risicogroepen en om de groenten voor het eten te verhitten.”

Al minstens twee keer eerder bleken kiemgroenten de bron van heftige darmaandoeningen. In 1996 werd een uitbraak van de E. coli-bacterie in Japan in verband gebracht met het eten van radijsachtige kiemgroenten. Er bezweken toen twaalf mensen aan de aandoening en er raakten circa 10.000 mensen besmet. Het jaar daarop werden in de Verenigde Staten gelijktijdig tientallen mensen ziek in Michigan en Virginia na het eten van alfalfakiemen. Net als in Duitsland waren er verhoudingsgewijs veel jonge gezonde vrouwen onder de patiënten. Dat verband werd indertijd verklaard uit het feit dat veel jonge vrouwen kiemgroenten in hun dieet opnemen om slank en gezond te blijven.

Laboratoriumtests die de Noord-Duitse teler als besmettingshaard kunnen aanwijzen, zijn ook bij deze epidemie „cruciaal”, zegt Wilma Hazeleger. „Het is best gevaarlijk om zonder die testuitslagen conclusies te trekken”, vindt de wetenschapper. „Alleen met bewijs kun je andere bronnen uitsluiten.” Het is goed mogelijk dat er maar één enkele bron is. Het aantal leveranciers van kiemgroenten is klein: teler Gärtnerhof Bienenbüttel in het dorp Bienenbüttel leverde in heel Noord-Duitsland. Daarbij worden de producten alleen over korte afstand vervoerd, omdat ze zo bederfelijk zijn.

Het epidemiologisch onderzoek dat de teler uiteindelijk als bron aanwees, richtte zich, als altijd, op opvallende groepen zieken – zoals de 17 mensen die ziek werden nadat ze tussen 12 en 14 mei in de Kartoffelkeller in Lübeck gegeten hadden. Maar het Robert Koch Institut in Berlijn onderzocht allerlei uitbraken. Zo werden veel mensen ziek die in een bepaalde kantine hadden gegeten – epidemiologen ploegden de bonnetjes door om te zien wat die patiënten gekocht hadden. Er waren meerdere uitbraken in restaurants. En in ziekenhuizen werd het dieet van de EHEC-slachtoffers vergeleken met dat van gezonde mensen.

Dat soort onderzoeken wijst echter alleen brede groepen producten aan. Vrijdag meldde het RKI bijvoorbeeld dat 84 procent van de patiënten salade had gegeten, tegen 47 procent van vergelijkbare, gezonde mensen in de regio. Hazeleger: „Het ondervragen van patiënten over hun dieet is heel lastig. Zeker met deze bacterie.” Want de tijd tussen besmetting en de eerste symptomen is lang: één tot twee weken. „Probeer je maar eens te herinneren wat je twee weken geleden gegeten hebt.”

Daarna volgt het ‘traceringsonderzoek’, voegt een woordvoerder van de nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit toe. „Van verdachte producten ga je de handelsstromen na: wie waren de tussenhandelaren, waar heeft het gelegen.” In Europa is geregeld dat de herkomst van etenswaren altijd geregistreerd moet zijn. „En de ervaring heeft geleerd dat het inderdaad lukt om de bron te vinden.”

De laboratoriumtests die nu volgen, moeten niet alleen uitwijzen óf de teler in Bienenbüttel de bron is, maar ook hóé de bacterie daar terecht is gekomen. Via het kweekwater? Via het zaad? In het laatste geval kunnen ook andere bedrijven besmet zijn geraakt.

Maar het lukt lang niet altijd om het bewijs via labtests te vinden, zegt Hazeleger. „Deze bacterie is zó agressief dat mensen ziek kunnen worden van concentraties bacteriën die zich niet meer laten opsporen.” Het landbouwministerie in Niedersachsen maakte gisteren ook al meteen een voorbehoud. „Het is niet uitgesloten dat alle besmette waren al verwerkt en verkocht zijn.”