Juristen verpesten 't voor diplomaten

Een tetterende jurist van het Internationaal Strafhof is de schrik van elke diplomaat.

De rigide eis tot vervolging frustreert lopende vredesonderhandelingen.

De internationale gemeenschap is verdeeld over de wijze waarop moet worden omgegaan met de (voormalige) Libische leider Moammar Gaddafi. Juristen sturen aan op vervolging, terwijl diplomaten pogen tot vrede te komen. En daarbij maken de juristen het werk van de diplomaten bijzonder ingewikkeld.

Aanvoerder van de juristen is Moreno Ocampo, de aanklager van het Internationaal Strafhof in Den Haag. Daags nadat Gaddafi’s troepen burgerdoelen begonnen te bestoken, kondigde hij aan een onderzoek in te stellen. Half mei verzocht hij het Strafhof arrestatiebevelen af te geven voor Gaddafi, Gaddafi’s zoon en het hoofd van de veiligheidsdienst. Zij worden verdacht van het plegen van misdrijven tegen de menselijkheid. Ocampo’s mandaat is sterk: 139 landen, inclusief alle EU-landen, hebben het Statuut van Rome ondertekend. Op basis van dit statuut kan de aanklager onafhankelijk onderzoek doen en vervolging instellen tegen verdachten van grote mensenrechtenschendingen. Belangrijke niet-gouvernementele organisaties zoals Amnesty International en Human Rights Watch scharen zich achter de doelstelling en werkwijze van het Strafhof. Wat er met Gaddafi moet gebeuren, is voor de juristen helder: als verdachte van misdrijven tegen de menselijkheid moet hij vervolgd worden in Den Haag.

De diplomaten kennen vele aanvoerders. Het zijn met name politici uit Europa, de Verenigde Staten en Afrika die op de voorgrond treden. Anders dan de juristen zetten zij niet primair in op vervolging. Hun belangrijkste doel is het bewerkstellingen van vrede, bij voorkeur snel, met weinig bloedvergieten en waar mogelijk middels regime change. Dat in zo’n proces mogelijke plegers van internationale misdrijven vrijuit gaan, is noodzakelijkerwijs onderdeel van onderhandelingen en strategie. De afgelopen maanden zijn tientallen, vaak hoge Libische militairen en politici gedeserteerd en in Europa opgevangen. Zonder twijfel velen met bloed aan hun handen. Zowel Engelse, Italiaanse als Franse politici roepen andere Gaddafi-getrouwen op hun voorbeeld te volgen.

Wat er met deze gedeserteerden moet gebeuren, houden de diplomaten – diplomaten als zij zijn – meestal in het midden. Vervolging is in ieder geval nog niet gestart. En op de vraag wat het lot van Gaddafi moet zijn, antwoorden diplomaten vooral cryptisch. De uitlatingen van de Britse minister van Buitenlandse Zaken William Hague op een conferentie in Londen eind maart, zijn wat dat betreft illustratief: „Wij hebben geen controle over waar hij naartoe zal gaan. Ik ga niet over kolonel Gaddafi’s oude dagvoorziening (...) Natuurlijk vind ik dat hij voor het Strafhof moet verschijnen. Als de aanklager informatie over mensen heeft die misdrijven plegen, moet hij naar het Internationaal Strafhof. Maar waar hij naartoe gaat, als hij gaat, is natuurlijk aan hem en aan de Libische bevolking. Daar hebben wij niet noodzakelijkerwijs de controle over.”

Het citaat geeft aan hoe moeilijk de juristen het de diplomaten hebben gemaakt. Waar de diplomaat in vroeger tijden stilletjes een deal konden sluiten met een of andere schurkenstaat om types als Gaddafi als balling op te nemen, zal hij nu te allen tijde publiekelijk moeten zeggen dat vervolging van belang is. Om dit daarna zodanig te herformuleren dat alle mogelijkheden open blijven. We zien de diplomaten nu stuntelen over Libië, we hebben het eerder gezien bij Ivoorkust. En we zullen ze blijven zien stuntelen in toekomstige conflicten.

Niet alleen in het publieke debat hebben de diplomaten het sinds de oprichting van het Strafhof moeilijker gekregen. Ook hun kernactiviteit – het bedrijven van diplomatie – is ernstig onder druk komen te staan. Met de instelling van het Internationaal Strafhof hebben zij te maken gekregen met een ongeleide en onafhankelijke aanklager die ‘het recht’ verheft boven al het andere. In het geval van Libië met een aanklager die nog tijdens vredesonderhandelingen oproept tot vervolging . Enkele dagen geleden bezocht de Zuid-Afrikaanse president Jacob Zuma Libië voor de tweede keer met het doel Gaddafi te bewegen de wapens neer te leggen en af te treden. Het bevreemdt niet dat hij wederom met lege handen terugkeerde. Wat kan hij Gaddafi immers bieden als Ocampo aan de zijlijn tettert dat Gaddafi nergens anders thuishoort dan in Den Haag?

In 2008 mislukten verregaande vredesonderhandelingen met Joseph Kony, de leider van het in Oeganda ontstane en extreem gewelddadige Verzetsleger van de Heer. Voor Kony was de voornaamste reden om de onderhandelingen af te breken het uitstaande arrestatiebevel van het Internationaal Strafhof. Wat kon hij winnen met een vredesakkoord als dat automatisch vervolging zou betekenen? Nog steeds vermoorden Kony’s troepen vrijwel maandelijks burgers in Congo, Soedan en Centraal Afrika.

De juristen dienen zich te realiseren dat het rücksichtslos oproepen tot vervolging van machtige misdadigers vredesonderhandelingen kan frustreren. Zij kunnen zich niet simpelweg verschuilen achter het mandaat van het Statuut van Rome. De belangen daarvoor zijn te groot. De diplomaten dienen zich te realiseren dat zij niet tegelijkertijd én kunnen oproepen tot vervolging van de Gaddafi’s van deze wereld én vredesonderhandelingen kunnen voeren met diezelfde Gaddafi’s.

Joris van Wijk is universitair docent criminologie aan de Vrije Universiteit. Hij doceert bij de Master International Crimes and Criminology en doet onderzoek naar gevluchte oorlogsmisdadigers.