Jemen viert feest, want Saleh is weg

Het vertrek van de Jemenitische president Saleh, die bij een aanslag gewond raakte, heeft gisteren tot grote vreugde geleid onder zijn tegenstanders.

Het volkslied klinkt op het demonstratieterrein in de Jemenitische hoofdstad Sana’a. Vreugdetranen biggelen over de wangen van de dolgelukkige anti-regeringsdemonstranten. Ze bivakkeren hier al vier maanden en zagen het de laatste tijd niet meer zitten met hun opstand tegen het regime van Ali Abdullah Saleh. Maar vandaag is het feest. In de nacht van zaterdag op zondag was het een feit: Saleh is naar Saoedi-Arabië vertrokken voor medische behandeling van de verwondingen die hij opliep bij de aanslag die vrijdag op hem werd gepleegd.

„Vandaag is de dag van het nieuwe Jemen”, roepen de betogers massaal. Niemand gelooft dat Saleh nog terugkomt, ook al beweren regeringsbronnen het tegendeel. „Ik ben heel erg gelukkig”, zegt Mashal Attaib (35), ambtenaar bij het ministerie van Volksgezondheid. „Eindelijk kan de nieuwe generatie aan de slag, eindelijk een nieuw leven.” Een oude man in traditioneel Jemenitische kledij – sandalen, witte jurk, geborduurde riem, dolkje – duwt een envelop onder de neus van Attaib. Op de envelop staat de naam van een Amerikaanse bank. „Ik woonde tien jaar in Amerika, elke maand kreeg ik een cheque van Obama, van die Saleh kreeg ik nooit een cheque, nooit!”

Dat het vertrek van Saleh niet werd afgedwongen door hun vreedzame demonstraties, maar door een aanval op zijn paleis deert niemand. „Nood breekt wet”, knipoogt Safwan al-Salahi (24). Het is ook wel in lijn met de Jemenitische praktijk, de meeste voorgangers van Saleh werden vermoord of met geweld verjaagd. Het maakt vandaag niet uit, er wordt gedanst en gezongen.

Hoewel, geheel zonder rancune verloopt het feest niet. Aan een lantarenpaal bungelt een pop, het hoofd is een proppenbol waarop een foto van het gezicht van de president is geplakt. „Hij moet terugkomen!” schreeuwt iemand. Safwan al-Salahi legt uit: „Ze willen hem berechten, hier op het podium. Deze mensen hebben familie verloren, ze willen niet dat hij daarmee wegkomt.”

Een ander geluid komt van Mohammed al-Qubaiti (53), hoogleraar Engels en filosofie. „Ik ben bezig met een nieuwe partij, de Socialistische Democratische Partij. Kern van die partij is de scheiding van godsdienst en politiek.” Al-Qubaiti heeft er vertrouwen in dat Jemen de democratische weg opgaat. „Misschien word ik wel de nieuwe president, moet ik wel even mijn tanden laten repareren”, lacht hij. Hij mist drie voortanden. „Nee hoor, ik blijf bij mijn studenten, er moet nu juist heel hard gewerkt worden aan onderwijs.”

Achter hem worden soldaten op de schouders gehesen, bloemen steken in de lopen van hun geweren. Een man deelt kranten uit. Het is dringen. De krant blijkt van 29 mei, maar dat maakt niemand uit. Op de voorpagina staat dat Saleh het land op blote voeten zal verlaten. Een uitspraak van Salehs aartsrivaal Sadeq al-Ahmar, een week geleden. Hij bedoelde dat Saleh het land zonder geld en zonder gunstige voorwaarden zou verlaten. „Kijk, kijk, dat is echt gebeurd!” wijzen de dringende mannen op de krantenkop.

De demonstranten zijn niet van plan hun tentenkamp nu op te breken. Ze willen eerst zien hoe het nu verder gaat. De oude man in de bus terug weet dat wel, hij ziet het allemaal met lede ogen aan. Hij is woedend. „Vijftig rial kost de bus nu, eerst was dat dertig”, schreeuwt hij tegen de chauffeur. Die legt uit dat de benzine schaars is en dus duurder geworden. „Ja, en dat komt allemaal door de zogenaamd vreedzame demonstranten daar.”