Ik weet nu dat er ergens nog iets van haar leeft

Luuk was door zijn hartziekte bijna opgegeven, sjouwde met een steunhart.

Hij schreef een dankbrief aan de nabestaanden van de schenker van zijn donorhart.

Luuk (32) was vaak moe. Bij de junioren hield hij een wedstrijd voetbal nog vol. Bij de senioren ging dat niet meer. Hij had weinig uithoudingsvermogen. Altijd al. Dat hoorde gewoon bij hem.

Rond zijn zestiende viel het de doktoren opeens op hoe groot zijn hart was. Het had moeite zuurstofrijk bloed rond te pompen. De oorzaak? Cardiomyopathie, een ziekte die de hartspier langzaam verzwakt.

Luuk dacht: ja, jee, nu kan ik geen politieagent meer worden. Maar de doktoren maakten zich meer zorgen. Zijn bloedwaardes, zijn lever, zijn longen, álles ging achteruit. Zijn toestand was drie jaar geleden zo slecht dat hij zelfs voor een donorhart niet in aanmerking kwam. In feite dus: opgegeven.

Luuk kreeg een steunhart. Een jaar lang sjouwde hij rond met accu’s en batterijen. ‘s Nachts lag hij met een kabel op het elektriciteitsnet aangesloten. Langzaam krabbelde hij op, totdat hij sterk genoeg was, en op de wachtlijst voor een donorhart mocht.

Een jaar later, op zondagmorgen om half negen, gaat de telefoon. Het ziekenhuis. Een arts die zegt: ‘Het is zo ver, Luuk.’ Zijn reactie: ‘Oh, wat eng.’ Anouk, zijn vrouw, zit dan al rechtop in bed. Ze begint direct zijn tas te pakken. De ambulance is er binnen een half uur.

Was u bang?

„Ik heb nooit gedacht dat het niet door zou gaan. Of dat ik dood zou gaan. Ik dacht: het gaat gebeuren en het gaat lukken. Het lange-termijn-denken was helemaal uitgeschakeld.”

Anouk valt hem bij: „Dat lange-termijn-denken deed je al een hele tijd niet meer. Ik heb zelf wel gedacht: zou het doorgaan? Er was een broeder op de Eerste Hulp die zich versprak. Er wordt altijd een reserve-patiënt opgeroepen. Hij vroeg of wij dat waren.”

Maar het hart was voor u?

„Gelukkig. En we wisten dat het een sterk hart was. Dat hadden ze ons voor die tijd verteld. Ik heb een groot lichaam. Mijn organen waren er behoorlijk slecht aan toe, er moest wel echt iets in, zeg maar – een flink, stevig en gezond hart.”

En is het dat?

„In de eerste periode voelde ik mijn hart constant. (Lacht) Voor mijn gevoel ging mijn T-shirt ervan heen en weer. Zo: Boem, boem. Mijn oude hart is onderzocht en daarna regelrecht de prullenbak ingegaan. Ja echt, Anouk heeft dat nog nagevraagd.”

Luuk zegt steeds: mijn nieuwe hart. Want zo ziet hij dat: het is van hem. Hij identificeert zich niet graag met de donor. Hij ziet het hart het liefst als een product. Iets dat je uit de winkel haalt. Het probleem in die winkel, zegt hij, is dat je niet weet in welke rij je staat. Komt er een hart ter beschikking, dan moet dat wel bij je lijf passen, wat betreft grootte, bloedgroep en conditie. Soms gaat de rij met bijvoorbeeld vrouwen sneller, dan weer die van de forse mannen. Het ligt er – cru gezegd – maar net aan wie er overlijdt.

De blijdschap is dus enorm als er een hart is. Al wordt het dan pas echt spannend. De eerste maanden zijn cruciaal. Wordt het hart niet afgestoten? Wat doet het littekenweefsel? Na dat jaar is Luuk achter zijn laptop gaan zitten, en heeft de nabestaanden van de donor een dankbrief geschreven.

Tot wie heeft u zich gericht?

„Dat weet je niet. Ik heb er een heel rijtje van gemaakt, nabestaanden slash familie slash vrienden. Ik was bang om iemand te vergeten.”

U wilde niet teveel over de nabestaanden nadenken?

„Ik heb getwijfeld of ik wel moest schrijven. Je moet er aan toe zijn. En je weet niet goed hoe die brief bij iemand aankomt. Of dat mensen denken: hè, lekker een brief. Of: nou pas een brief! Dat is lastig. Ik heb gewoon verteld dat ik aan het werk was. Ik had meegekregen dat je niet moet schrijven dat je ergens last van hebt, daar hebben zij niks aan. Ik heb verteld dat ik goed voor mezelf zorg. Dat doe je namelijk ook voor het hart.”

Van wie was het hart?

„Dat mag je niet weten. Ze vertelden alleen dat de kans groot is dat het een hart van een man is. Maar ik wil dat ook allemaal niet weten.”

Niet?

(Ferm) „Nee. Ik ben heel, héél erg blij met dit geschenk. Daarom heb ik die brief geschreven. Daarmee toon ik aan hoe geweldig het is. Maar ik wil me niet identificeren. Ook niet met de nabestaanden. Ik zou het vervelend vinden om mensen tegen te komen, die familie van diegene zijn.”

Waarom?

„Eerlijk? Het is te groot, zo’n geschenk. Omdat ik nooit, nooit, iets kan teruggeven.”