Donner stelt de machtsvraag

Heeft minister Donner (Binnenlandse Zaken, CDA) gelijk of houden de gemeenten terecht hun been stijf? Tussen de rijksoverheid en de 418 gemeenten loopt het conflict over de sociale werkplaatsen hoog op. Inzet is het bestuursakkoord dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) eind april sloot met het kabinet.

Daarin wordt voor 8 miljard euro aan taken van het Rijk overgeheveld naar gemeenten, waterschappen en provincies op het gebied van sociale zekerheid, werk, jeugdbeleid en zorg. Een kolossale decentralisatie die bij veel locale overheden overigens op instemming kan rekenen. Zij noemen zich graag de ‘Eerste Overheid’ omdat zij immers een directer contact met de burger hebben dan het Rijk. Het epitheton ‘lagere overheid’ is in het land nooit als een compliment ervaren. Meer taken en meer geld dragen aan dit zelfbewustzijn bij. En dat vertaalt zich in een wat steviger politieke houding. Dat de VNG een congres houdt dat twee werkdagen mag duren en 3.500 ambtenaren en bestuurders trekt, is evenmin een bewijs van bescheidenheid.

De prijs die de gemeenten en hun burgers voor de nieuwe verantwoordelijkheden moeten betalen is hoog. Dit kabinet bezuinigt stevig en de gemeenten moeten in de pas. Nu hebben de beschutte werkplaatsen voor minder valide werknemers al stevige tekorten, ze groeien stevig en de doorstroming valt tegen.

Met name de grote steden hebben hier een probleem. Een stevige meerderheid van de gemeenten blijkt niet akkoord met bezuinigingen op dit punt. VNG-voorzitter Jorritsma (VVD) heeft deze passage daarop eenzijdig uit het akkoord gewipt – tot ongenoegen van het kabinet. Maar een stemming zou ze verliezen, dus veel keuze was er niet.

Minister Donner zei voor het tv-programma Buitenhof deze houding „gevaarlijk” te vinden. Hij waarschuwde voor het „opofferen” van de bestuurlijke verhoudingen aan partijpolitiek. Hij denkt dat het land onbestuurbaar wordt als een vergadering van wethouders plannen tegenhoudt die een parlementaire meerderheid juist wil. Dat kan niet.

Feitelijk stelt de minister de vraag wie het voor het zeggen heeft. De regering of een toevallige vergadering van Nederlandse gemeenten, een dilemma met wortels in de geschiedenis. Sinds de grondwet van 1848 is die vraag in het Koninkrijk der Nederlanden eigenlijk al beantwoord. De gemeenten en provinciën hebben een grote autonomie. Maar de bandbreedte van hun handelen wordt bepaald door het parlement.

Veel meer keus dan er ‘samen uitkomen’ is er niet. Het kabinet stelt nu 400 miljoen beschikbaar om de sociale werkplaatsen te herstructureren. Donner zegt met de gemeenten tekorten bij de sociale werkvoorziening in de komende jaren te willen oplossen. Wie de ‘eerste overheid’ wil zijn moet ook zijn plaats kennen. En tijdig inbinden.