Die vogeltjes, dat zijn de bommenwerpers

Het lukt het Londense museum niet om Miró echt politiek te maken.

Dat ligt vooral aan de gemakzucht van de tentoonstellingsmakers.

Zwart, rood en geel, het zijn de kleuren van de Duitse vlag. Het zijn ook de kleuren van de Spaanse kunstenaar Joan Miró. Op de grote tentoonstelling die nu aan zijn werk gewijd is in de Tate Modern in Londen, is veel zwart, rood en geel te zien. Is deze combinatie op de Duitse vlag zwaar, bij Miró is zij fel, ongewoon, schitterend. Soms is er een rood zonnetje met gele stralen op een zwarte achtergrond, vaker is dergelijke figuratie te beperkt en vormen rood, zwart en geel wezentjes of droedels om even zo makkelijk vierkantjes of cirkels of ander geometrische vormen te blijven. En dat allemaal samen op één doek. Geel is meestal minder prominent dan rood en zwart, soms zelfs nog minder aanwezig dan blauw of bruin, maar altijd zo geplaatst dat het doek gaat stralen, zoals de Spaanse, pardon Catalaanse zon dat zo graag doet.

Joan Miró is vaak een surrealist genoemd, door André Breton zelfs de meest surrealistische surrealist. Hij staat voorts te boek als een vrolijke, charmante kunstenaar, minder somber dan Yves Tanguy of Hans Bellmer, minder woordspelig dan Salvador Dalí of René Magritte, minder lyrisch dan Paul Klee of Max Ernst. Je zou zijn reputatie kunnen vergelijken met die van Alexander Calder, ook een kunstenaar die vaak vrolijk of charmant genoemd wordt. Maar waar dat bij Calder in zijn voordeel is gaan werken, is dat bij Miró niet het geval. Misschien is het door hem getekende zonnetje dat lang gebruikt is om reclame te maken voor toerisme naar Spanje, daar mede verantwoordelijk voor. Miró’s vrolijkheid was om zo te zeggen geen existentiële vrolijkheid meer, maar commerciële.

Ook in de Tate wordt niet veel verwacht van de charme, de levenslust van de Catalaanse kunstenaar. Daar wordt juist geprobeerd van Miró een politieke kunstenaar te maken, wiens carrière commentaar levert op de Spaanse geschiedenis van de twintigste eeuw. Alsof je van zijn werk alsnog een vlag zou kunnen maken; een progressieve, Catalaanse vlag, geen logo voor de toeristen.

Even lijkt dat te lukken. De Spaanse geschiedenis was er in de twintigste eeuw een die kunstenaars net als veel andere mensen bij de kladden greep. En Miró heeft ook wel geprobeerd die geschiedenis te beïnvloeden. Picasso was niet de enige kunstenaar die in 1937 op de wereldtentoonstelling in Parijs in het paviljoen van de Spaanse republiek exposeerde. Picasso toonde er de Guernica, het schilderij met de gevolgen van het bombardement op dit Baskische dorp door Franco. Miró maakte ook een werk voor dit paviljoen, een muurschildering die helaas verloren is gegaan. In zijn toen al ontwikkelde eigen stijl schilderde Miró een maaier, een Catalaanse boer. Het affiche waarmee geld voor de republikeinen moest worden ingezameld bestaat nog wel. Er staat een boer op, met een grote gele gebalde vuist. „Help Spanje”, luidt de tekst. In handschift staat er onder de boer nog geschreven: „In de huidige strijd, zie ik aan de ene kant fascistische krachten, aan de andere kant het volk wiens immense creatieve krachten aan Spanje een elan geven dat de wereld versteld doet staan.” Tijdens de Spaanse burgeroorlog verbleef Miró in Frankrijk, tijdens de Tweede Wereldoorlog keerde hij terug naar Spanje. Hij ging in innere Emigration op het eiland Mallorca. Pas na Franco’s dood in 1975 begon hij in Spanje weer tentoon te stellen en deel te nemen aan het openbare kunstleven.

Miró heeft ook na de muurschildering voor het paviljoen van de Spaanse republiek nog expliciet politiek werk gemaakt. Op de tentoonstelling in de Tate hangen drie grote abstracte doeken met de titel De hoop van een veroordeelde man uit 1974. Miró, inmiddels over de tachtig, werkte aan deze serie toen de executie aanstaande was van de Catalaanse anarchist Salvador Puig Antich, de laatste die onder het regime van Franco werd geëxecuteerd. Volgens sommigen stelt de enkele zwarte lijn op de drie grote doeken die Miró onder deze titel schilderde voor de strop.

Tussen 1937 en 1974 liggen bijna veertig jaar. Veel meer expliciet politieke kunstwerken van Miró zijn er niet te zien op de tentoonstelling. Dat wil niet zeggen dat hij ze niet heeft gemaakt, maar overtuigend is het niet. Langs deze weg slaagt de Tate er niet in van Miró een politieke kunstenaar te maken.

Over een andere boeg worden hun pogingen soms potsierlijk. Op de teksten die naast de schilderijen aan de muur hangen worden allerlei werken in een politieke richting geduwd die daar noch door de titel noch door het beeld aanleiding toe lijken te geven. In de laatste zaal hangen bijvoorbeeld drie grote abstracte doeken met de titel Vuurwerk, waarvoor Miró zwarte verf tegen een witte achtergrond gooide. Vuurwerk I, II en III krijgen aan de wand de volgende zinnen toebedeeld: „Het drieluik spreekt van het opbloeien van rebellie tegen het stervende regime dat de intellectuele kringen in Spanje bezielde.” Je zou zo’n zin over willekeurig welk werk van Miró of van welke andere kunstenaar kunnen optikken. Van zulke gemeenplaatsen kun je alleen maar kregel worden. Specifieker lijkt een opmerking over een van de Constellaties, de mooie serie die Miró tijdens het begin van de Tweede Wereldoorlog maakte in Normandië. De vogels zijn volgens de wandtekst geïnspireerd door de bommenwerpers die eerder boven Spanje hadden gevlogen. Maar zelfs als dat al waar is, en wie weet is dat zo, al lijkt het bewijs nogal dun, wat dan nog? Ook de chronologie die in de catalogus is opgenomen krijgt soms iets belachelijks. Wat staat er bijvoorbeeld bij 1965: in de categorie Miró staat daar: „reist via Parijs naar New York voor een tentoonstelling.” In de categorie kunst: „Culturele revolutie in China.” In de categorie wereld: „VS zenden troepen naar Vietnam.”

Over de relatie tussen kunst en politiek word je in de Tate Modern mismoediger dan de tentoonstellingsmakers waarschijnlijk hopen. Dat komt ook door hun gemakzucht. De vergelijking met de strop zou waarschijnlijk niet gemaakt zijn als de maker alleen maar Salvador Puig Antich had gegoogeld en er al op Wikipedia achter was gekomen dat de man niet was opgehangen maar was vermoord met een wurgpaal, waarbij de veroordeelde aan een paal vastgebonden wordt met een ijzeren halsband.

Ook in Salvador Puig Antich zelf lijken de makers van de tentoonstelling niet geïnteresseerd: wie hij was en waarom hij werd terechtgesteld, wordt nergens in de dikke catalogus vermeld. Anarchist is een term waarmee zijn daden aangenaam vaag worden gehouden. Zulke omissies doen Miró als politiek kunstenaar geen recht. Miró was waarschijnlijk radicaler dan hij hier wordt gepresenteerd. En ze nemen de glans weg van zijn schitterende schilderijen. Die hoeven geen reclame te maken, die hoeven niet politiek te zijn. Het zijn geen vlaggen.

Joan Miró. The Ladder of Escape. Tate Modern, Londen, t/m 10 sept. Daarna nog te zien in de Fundacio Joan Miró in Barcelona en de National Gallery of Art in Washington. Inl. tatemodern.org