Zo, nu eerst even een glaasje sap

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: minder drinken.

„Mag ik ook een half glas wijn bestellen?” De ober die me al twee volle glazen had ingeschonken, deed alsof zijn neus bloedde en ging de fles halen. Terwijl hij stoïcijns mijn glas voor de helft vulde, wist ik: het is nu officieel, ik heb een drankprobleem.

Ik ben niet echt een alcoholist hoor. Ik heb het allemaal prima onder controle. Gisteren dronk ik pas om 19.36 uur een halve liter Grolsch. Eergisteren sloeg ik weliswaar vroeg op de middag vier glazen wijn achterover, maar dat had een reden en het was bovendien heel lekkere wijn. En deze column heb ik toch maar mooi bijna geheel alcoholvrij getikt. Ik had expres geen wijn in huis gehaald. Alleen herinner ik me nu dat in de keuken nog een fles mandarijnenlikeur staat, met cola erbij is dat misschien best te doen.

Dat ik mijn consumpties zo tel, komt omdat ik Nou, nog eentje dan aan het lezen ben, waarin Mariëtte Wijne haar bestaan als beginnend geheelonthouder beschrijft. Nu weet ik welke norm het Trimbos-instituut hanteert voor verantwoord drankgebruik voor vrouwen: 1 à 2 glazen per dag en twee aaneensluitende alcoholvrije dagen per week. Die twee glazen per dag moet je natuurlijk met een korreltje zout nemen. Het is vooral die gedachte aan twee alcoholvrije dagen die me nerveus maakt. Hoe moet dat dan?

Hoe moet dat als je dochter vlak voor het slapen gaan haar dwerghamster als een zeepje uit haar hand laat floepen en het diertje linea recta onder de vaatwasser schiet. Moet je dan – als het mormel twee uur later weer in zijn kooi zit – uitgeput een pak jus d’orange opentrekken?

En als je vlug vlug nog even een vergeten boodschap gaat doen en je trekt haastig de deur achter je dicht met de sleutels nog aan de binnenkant, terwijl over een half uur tien eters op de stoep staan. Moet je dan, als de buurman eenmaal over het balkon is geklommen en een raampje heeft ingetikt, een potje thee zetten? Of als je iemand nog maar net kent en de onhandigheid nog in de lucht hangt, wat dan? Lekker aan de Spa rood?

„Waarom drink je eigenlijk?” wil mijn veertienjarige dochter weten. „Weet je niet dat je daar dik van wordt?” Dit soort gesprekken had ik dertig jaar geleden ook met mijn moeder. Ik laakte haar gebrek aan zelfdiscipline en probeerde haar het verband uit te leggen tussen haar – in mijn ogen – dikke kont en haar sherrygebruik. „Ik spreek jou nog wel”, zei ze dan onverschillig en stak haar glas de lucht in zodat mijn vader nog eens bij kon schenken.

Ik wist toen nog niet wat mijn dochter nu wel weet: „Als je drinkt sterven je hersencellen af, mam. Ik mag absoluut niet voor mijn achttiende drinken. En jij, daarover zijn alle deskundigen het eens, moet niet in mijn bijzijn drinken. Want als ik me dan toch ooit in coma zuip, dan is het jouw schuld.”

Laatst spuugde ze verontwaardigd haar pasta uit. „Hier zit drank in!” Het was heus een heel klein borrelglaasje wodka dat ik in de tomatensaus had gedaan. „Lekker dan”, brieste ze. „Daar gaat mijn VWO-diploma.”

Misschien moet ik het toch weer eens proberen, twee dagen per week niet drinken. Want als ik eerlijk ben: dat laatste halve glas cola met mandarijnenlikeur had ik misschien beter niet kunnen nemen.