Wiskundeliefde voor mensen die wiskunde haten

Loving and Hating Mathematics. Challenging the Myths of Mathematical Life. Reuben Hersh en Vera John-Steiner. Princeton University Press, 416 blz., circa € 25.-

Als in 1794 de École Polytechnique in Parijs haar deuren opent, zijn alleen mannen welkom, maar daar laat de achttienjarige Sophie Germain zich niet door uit het veld slaan. Ze is gegrepen door de wiskunde en schrijft zich in onder een valse naam. Pas wanneer haar huiswerk opvalt door originaliteit en de hoogleraar kennis wil maken met deze briljante ‘Monsieur le Blanc’ ziet ze zich gedwongen haar identiteit bloot te geven. Ze mag blijven. Haar echte roem als wiskundige dankt ze aan de correspondentie over wiskundige problemen die ze, opnieuw onder pseudoniem, aangaat met de Duitse grootheid Carl Friedrich Gauss. In een van haar brieven levert ze bijvoorbeeld een belangrijke bijdrage aan het bewijs van de Laatste Stelling van Fermat. Als Napoleons troepen in 1806 de stad waar Gauss woont bezetten en zijn leven in gevaar is, grijpt ze in via een hooggeplaatste legerofficier en vriend van haar vader. Gauss is stomverbaasd als hij hoort wie zijn correspondente werkelijk is en noemt haar iemand “met de meest hoogstaande moed, buitengewone talenten en een superieur genie”.

Met het levensverhaal van Sophie Germain en dat van vele andere wiskundigen proberen Reuben Hersh en Vera John-Steiner in Loving and Hating Mathematics inzicht te bieden in de wereld van de wiskunde, in wat wiskundigen drijft. Hun doel is het typische beeld dat velen van wiskundigen hebben – excentrieke, introverte, van emoties gespeende einzelgängers – bij te stellen. Of de auteurs daarin slagen is de vraag, want er passeren nogal al wat vreemde vogels de revue. Zoals André Bloch, die als soldaat in de Eerste Wereldoorlog gek werd, een paar familieleden vermoordde en in een psychiatrische kliniek terechtkwam van waaruit hij 31 jaar lang al zijn (briljante) wiskundige werk de wereld instuurde. Of Grisha Perelman die onlangs het Vermoeden van Poincaré bewees, maar de prijs van een miljoen dollar die hij daarvoor kreeg, weigerde.

Daar staan gelukkig tal van (levens)verhalen tegenover die heel goed het plezier, de schoonheid, de creativiteit, kortom de emoties weten over te brengen die met het bedrijven van wiskunde verbonden zijn. De meeste daarvan zijn noodzakelijkerwijs wat beknopt, waardoor je voortdurend de literatuurlijst raadpleegt om méér te weten te komen. De auteurs geven ook inzicht in de wiskundige cultuur. Zo had ik nooit gehoord van het Polymath Project, een samenwerkingsverband voor het oplossen van wiskundeproblemen via internet.

De wiskunde zelf blijft bij dit alles wat op de achtergrond, maar erg is dat niet. Het zou potentiële lezers maar afschrikken. Want hoe velen hebben niet een intense afkeer van wiskunde – en die schamen zich er meestal niet voor daar openlijk blijk van te geven. Het siert de auteurs dat ze kritisch durven kijken naar de oorzaken van die wiskundefobie, al zijn betere, meer bevlogen leraren en een minder abstracte onderwijsmethode enigszins voor de hand liggende oplossingen. Het is bovendien onbegrijpelijk dat iedere aandacht voor recreatieve wiskunde ontbreekt. Martin Gardner mag dan geen beroepswiskundige zijn geweest, maar als er iemand een onschatbare bijdrage heeft geleverd aan het populariseren van de wiskunde is hij het. Hij had het meer dan verdiend in dit stimulerende boek te figureren.

Rob van den Berg