Wat resteert er straks van mij? Tien jaar notulen van de raad van bestuur

Bestuurlijk sadisme. Zo kwalificeert oud-bestuurder Cees Vis de bezuinigingen op de Publieke Omroep. ‘Politiek zonder visie roept altijd dat het efficiënter moet.’ Vis is teruggetreden als gevolg van een ongeneeslijke ziekte. ‘Ik zit op vals plat, naar beneden.’

Vijfenvijftig chemokuren heeft hij inmiddels achter de rug. En toch lijkt de geest van omroepbestuurder Cees Vis (61) ongebroken. Zijn stem klinkt wat rafelig, maar in het smalle gezicht fonkelen wilskrachtige ogen. Hij weet dat het einde onontkoombaar is, zegt hij nuchter in zijn werkkamer op het Mediapark. Maar zo lang het kan zal hij van het leven genieten.

Drie jaar geleden werden zijn darmen onderzocht. Eigenlijk voelde hij zich prima. Zo goed, dat hij niet eens achter de uitslag had aangebeld. Maar toen stond zijn huisarts opeens op de stoep: ‘Cees, het is mis’. „Dan raakt alles in een stroomversnelling.” Hij zou geopereerd moeten worden. Twee dagen voor de operatie had hij een intakegesprek met de chirurg. Voor alle zekerheid werd er ook een scan gemaakt. Die liet zien dat er op allerlei plekken forse uitzaaiingen waren. De operatie kon niet doorgaan.

Achteraf nog een geluk dat de scan is gemaakt. „Als ze je opereren met al die uitzaaiingen, dan heeft je lichaam de kracht niet om de zware kuren aan te kunnen. En dan ben je echt gezien.” Sindsdien luidt de diagnose: ongeneeslijk ziek. Om de drie weken krijgt hij een onderhoudskuur. „Eerst een infuus, dan twee weken pillen. En dan een week om weer te herstellen. Zo hobbelen we door.”

Hij heeft de afgelopen drie jaar zo goed en zo kwaad mogelijk gewoon zijn werk gedaan, slalommend tussen de kuren door. Een paar keer per week naar Hilversum, naar de raad van bestuur van de Publieke Omroep. „Het verzet toch je geest een beetje.” Twee maanden geleden trad hij terug. „De energie wordt voelbaar minder. Ik heb geen enkele garantie dat ik het eind van het jaar haal. Die ongewisheid kun je een organisatie niet aandoen. Ik zit op vals plat, naar beneden.”

„De eerste maanden waren heel onzeker. Het zag er zo onheilspellend uit dat ik alleen nog kon denken: heb ik nou nog twee of drie maanden? Alles werd gedomineerd door verwarring, door verdriet. Daarna kreeg ik m’n eerste zware kuren. Die bleken aan te slaan. Dan krijg je toch weer moraal. Maar je verandert er wel door. Ik ben me veel meer bewust geworden van tijd. Vanaf mijn zeventiende heb ik in feite drieënveertig jaar aan één stuk gewerkt, alleen onderbroken door mijn studiejaren. Ik had ’s morgens maar één probleem: hoe kom ik zo snel mogelijk in mijn auto? Nu beleef ik alle dingen veel bewuster en intenser. Je wordt relativerender, maar op sommige vlakken juist ook opstandiger. Ik kan me verschrikkelijk opwinden over de maatschappij, over de politiek. Met name over de belabberde kwaliteit van bestuur in Nederland. Ik ben nauw betrokken bij het mediadossier. Daaruit blijkt één ding: er is in Den Haag niet de minste interesse voor een kwalitatieve publieke omroep. Het interesseert ze werkelijk geen donder. Wij zijn als publieke omroep in zeldzaam zwaar weer beland. Enerzijds schrijven ze: het moet allemaal publieker worden, verantwoorder. Anderzijds bezuinigen ze tweehonderd miljoen. Je moet maar dúrven.”

Hoe desastreus zijn die aangekondigde bezuinigingen nou werkelijk?

„Tweehonderd miljoen op een totaal budget van zevenhonderdvijftig miljoen is kolossaal. ‘Het moet efficiënter’, wordt dan geroepen. Politiek zonder visie roept altijd dat het efficiënter moet. Wij zijn zelf op een bedrag van vijftig miljoen uitgekomen. Dat zou je kunnen bezuinigen zonder dat je de programma’s zelf raakt. Meer is niet verantwoord. Zeg dan eerlijk: ‘Die omroep moet weg. We hebben het er niet meer voor over, dus doek alles maar op.’ Maar wees éérlijk. Wat er nu gebeurt is gewoon bestuurlijk sadisme.”

Gaat het ook gebeuren, die tweehonderd miljoen?

„Onherroepelijk. Zelfs als er een ander kabinet komt, zal er draconisch bezuinigd worden. Die tweehonderd miljoen klopt overigens niet. De Wereldomroep – veertig miljoen – gaat naar Buitenlandse Zaken, en het Muziekcentrum voor de Omroep (MCO) – dertig miljoen – wordt afgeschaft. Wat resteert is 130 miljoen. Stel dat je daar die vijftig miljoen die we zelf hebben voorgesteld van aftrekt, dan hou je nog een enorm bedrag over. Dan is de vraag: doe je Andere Tijden weg of Bananasplit?”

Moet het voetbal niet de deur uit?

„Stel: je doet al het voetbal de deur uit. Dan gaan de STER-inkomsten naar beneden. En even voor alle duidelijkheid: de STER-inkomsten gaan niet naar ons, die vloeien naar het departement. Met het weghalen van voetbal los je dus helemaal niks op. Sturen ze dus ook nog een briefje: ‘By the way, als de STER-inkomsten omlaaggaan, dan moeten jullie natuurlijk nog meer bezuinigen’.”

Het CDA was samen met de PvdA jarenlang toch juist de hoeder van de publieke omroep.

„Joh, die hebben niks meer te vertellen. VVD en PVV bepalen alles. En die hebben lak aan de publieke omroep. Dat geklets over ‘terug naar twee netten’ is volslagen onzinnig. Vroeger was de distributie schaars. Je had een beperkt frequentiespectrum waarop je drie, vier zenders kwijt kon. Maar kijk nou ’ns naar de digitale televisie, met zijn honderden kanalen. Dan krijg je bepaald niet het gevoel dat er gevochten wordt om een plekje. Pésten, dat is het. Lekker de publieke omroep treiteren. Er zit nog niet het begin van een visie achter. Ze hebben in Den Haag geen idéé over wat de publieke omroep zou moeten zijn. De mediaspecialisten blijken in de praktijk mensen met bar weinig kennis van zaken. Dróévig, dát is het. Pas als de publieke omroep weg is, zou je zien wat je eigenlijk mist. Natuurlijk zullen de commerciëlen bepaalde programma’s overnemen. Maar voor veel programma’s – bijvoorbeeld documentaires – geldt dat de commercie ze niet zal maken. Of wat dacht je van de ondersteuning van de Nederlandse film? Ook een belangrijke functie van de publieke omroep. Dat zal allemaal verdwijnen. En wat weg is, krijg je niet meer terug.”

„Weet je wat ook zo fraai is? Vroeger betaalde ieder huishouden negentig euro per jaar aan omroepbijdrage. Daarna zijn ze dat via de Belastingdienst gaan innen. Dat doen ze nog steeds. Maar als je van het omroepbudget tweehonderd miljoen afhaalt, is de logische consequentie dat je dat geld netjes terugstort aan de belastingbetaler. Denk maar niet dat ze dat gaan doen. Ik weet niet eens hoe je zoiets moet noemen. ‘Oplichting’ is niet het goede woord; daarvoor is het allemaal te doorzichtig.”

Aan de omroepen is het niet te merken dat het zwaar weer wordt. Die doen net alsof er niks aan de hand is.

Zuchtend: „Dat is vergaande naïviteit. Het is een goed teken dat je nu fusieplannen ziet ontstaan. Het is nuttig om die bestuursapparaten in elkaar te schuiven. Maar als je de eisenpakketten ziet die de omroepverenigingen op tafel leggen, dan zijn die vaak niet realistisch. We komen straks uit op acht grote omroepen. Dat is reëel om het publieke bestel overeind te houden. Tegenstanders roepen altijd dat dat ledenbestel in Nederland niks voorstelt. Maar wat is dan het alternatief? Ja, het BBC-model, roepen ze dan. Leuk bedacht. De BBC heeft toevallig wél een budget van zes miljard euro. Ons bestel is op zichzelf een goed systeem. Alleen komen er steeds meer omroepen bij en gaan er bijna nooit omroepen uit.”

Wat vindt u van een nieuwkomer als PowNed?

„PowNed vind ik wel leuk. Dat provocerende vind ik grappig. Daarmee voegen ze wat toe aan wat de andere omroepen al doen.”

Voegt omroep MAX iets toe?

„Nee. Al is die Jan Slagter (voorzitter van MAX, red.) een handige jongen.”

De Albert Cuyp staat vol met handige jongens.

„Daarom gaat het ook zo goed met de Albert Cuyp. Wat Slagter doet, pakt aardig uit. Hij neemt heel slim afgedankte formules over van anderen. Andere omroepen hebben veel kritiek op MAX. Logisch, want ze eten allemaal uit elkaars ruif. Maar Slagter speelt hetzelfde spelletje dat de omroepverenigingen al decennialang spelen.”

Bent u zelf nog steeds lid van de TROS?

„Ja. Toen ik bij PCM werkte zat ik bij de TROS in het bestuur en ben ik lid geworden. Voor 5 euro 32. Natuurlijk wel een financiële aderlating, maar goed… dan héb je wel wat.”

Is de TROS de beste omroep?

„Nee. De beste omroepen zijn VARA, VPRO, NTR en NOS. Omdat ze onderscheidende programma’s maken.”

U hebt in uw loopbaan op lastige plekken gewerkt. Nu bij de publieke omroep, en daarvoor onder meer bij PCM. Lijkt de Publieke Omroep op PCM?

„Nee. Bij PCM was het toch wel allemáál VPRO. PCM was achteraf gezien een slechte constructie. NRC Handelsblad en de Volkskrant, daar zit geen synergie tussen. Alsof je onderuit een fles met schorpioenen een dubbeltje moet proberen te pakken. Twee concurrenten horen niet binnen één concern. Als de Volkskrant met een nieuwe peperdure campagne net een paar duizend abonnees van de NRC had afgesnoept, ging de NRC daarna onmiddellijk ook een campagne voeren. Dat werkte niet. Het is heel goed dat ze gesplitst zijn. Nadat die kranten ‘los’ kwamen, zijn ze merkbare verbeteringen gaan doorvoeren.

„Het is vreemd: kranten hebben aantoonbaar een publieke functie, maar worden commercieel gefinancierd. Van de omroepen wordt de publieke functie vaak betwijfeld, maar ze zijn wel publiek gefinancierd. Dan moet je zeggen: als je die kranten wilt laten overleven, zal je daar ondersteunende voorzieningen voor moeten treffen.”

En de omroepen moeten commerciëler worden?

„Zelfstandiger. Wij zijn als publieke omroep veel beter af als we zo min mogelijk afhankelijk zijn van die overheid met al zijn grillen. Wij moeten gewoon tegen die kabelaars zeggen: ‘wij leveren topkwaliteit, dus we willen zoveel euro per abonnee’. Het probleem is alleen dat de kabelwereld nog niet goed gereguleerd is. Maar waarom zou je het niet net zo financieren als bij de kranten?”

Kan de publieke omroep zichzelf daarmee bedruipen?

„Dat lijkt mij wel. De kranten is het toch ook gelukt? Niet iedereen zal zich willen abonneren. Maar er zal goed gekeken blijven worden.”

Interesseert die omroeppolitiek u eigenlijk nog? Want u moet doorlopend meedenken over concessies en maatregelen die pas over een paar jaar in zullen gaan.

„Je kunt inderdaad zeggen: wat kan het jou nou schelen hoe de publieke omroep er over vijf jaar uitziet? Het is hoogstonwaarschijnlijk dat ik er dan zelf nog ben. Ik maak me druk over de afbraak van de omroep, terwijl ik mijn handen vol heb aan mijn eigen afbraak. Maar zo leef ik niet. Ik leef op de korte termijn. In een van de eerste gesprekken met mijn oncoloog vroeg ik: ‘Hoe lang staat er ongeveer voor mij?’ Ze zei: ‘gemiddeld tweeënhalf jaar’. En ik was toen zeker al een jaar ziek. Ik ben mijn termijn inmiddels gepasseerd. Ik vraag er nooit meer naar. Ik leef van kuur naar kuur. De toekomst loopt voor mij niet verder dan drie weken. De kanker is definitief ongeneeslijk, dus ik moet genieten van alles wat ik nog krijg. Ik weet dat oud worden er voor mij niet in zal zitten. Aan de andere kant mis je daardoor ook een hoop ellende.”

Emigreren

Hij is er de man niet naar om uitgebreid om te kijken, zegt Vis. Al dringen sommige dingen uit zijn verleden zich de laatste jaren wel steeds meer op. Twee jaar na zijn geboorte emigreerde hij met zijn ouders naar de Verenigde Staten. Van Amerika herinnert hij zich bijna niets. Het huwelijk strandde en zijn moeder keerde met haar zoontje terug naar Nederland. Daar groeide Vis op in het gezin van zijn grootouders. Zijn vader zag hij nadien nooit meer. „Ik heb hem eigenlijk nooit gemist. Pas toen ik ziek werd, kwam de behoefte om me in hem te verdiepen. Je gaat toch graven in jezelf, in je verleden. Hij schijnt een heel lollige man geweest te zijn. Je kon verschrikkelijk met hem lachen. Achteraf had mijn moeder mij veel meer over hem moeten vertellen. Hij is altijd een grote onbekende gebleven. Hij is teruggekomen uit Amerika en in 1984 gestorven. Twintig jaar later overleed mijn moeder. Ze is begraven op het kerkhof van Middelharnis. Op datzelfde kerkhof bleek mijn vader nota bene ook te liggen. Nooit iets van geweten. En opeens stond ik daar aan zijn graf. Niet dat het me veel deed. Ik dacht vooral: jammer dat ik jouw kant van het verhaal nooit gehoord heb.” Vis heeft zijn zoon en dochter wel over hun opa verteld. „Het heel weinige dat ik van hem wist. Daar hebben ze toch recht op.” Binnenkort gaat zijn dochter emigreren naar Australië. „Zij heeft er denk ik moeite mee om te gaan. Maar ik zeg: alsjeblieft, ga nou wel, en word gelukkig. Ze gaat trouwen op 31 december. Ik heb haar gezegd dat ik niet kan beloven dat ik dat haal. Maar ik heb me toch ten doel gesteld om erbij te zijn. Dat is wel het mooie aan deze periode: ik heb veel kunnen inhalen. Het contact met mijn kinderen is enorm verdiept. In dat opzicht zijn de afgelopen drie jaar niet slecht geweest. Ik heb tijd gekregen om alles te regelen, om netjes alle laatjes op te ruimen. Verder geniet ik, zolang het kan. Dat de finale aanzegging zal komen is zeker, ik weet alleen niet wanneer.”

Wordt de tijd in deze periode je tegenstander of eerder je vriend?

„De tijd staat steeds minder aan mijn kant. Maar ja, doodgaan komt nooit goed uit. Ik moet langzaamaan proberen los te laten. Maar weet je wat het is? Het leven zelf maakt voortdurend hongerig. Je verlangt altijd naar de volgende ronde. Aan de andere kant: we doen, als het over doodgaan gaat, altijd net alsof je op het hoogtepunt van het feest wordt weggeroepen. Maar het is hier geen feest. Het is een kolerezooi op aarde. Dat zie ik nu veel scherper dan vroeger. Oorlogen, rampen, het houdt niet op. Ja hoor, daar gaat dat straatarme Haïti weer eens ten onder door een aardbeving. Dan denk ik: God, waarom nou niet een keer in Bloemendaal? Even krrrr een bevinkje, en wég al die villa’s. Maar nee, zoiets moet blijkbaar altijd in Haïti of Bangladesh. Als er werkelijk iemand daarboven zit, moet dat toch een naar mannetje zijn.

„Je gaat wel nadenken over wat je zult nalaten. Dat zal in mijn werk maar bar weinig zijn. Wat laat een bestuurder nou helemaal na? In mijn vrije tijd maak ik sieraden en restaureer ik antieke meubelen. Als ik naar zo’n kast kijk, denk ik: ja, dat ís tenminste iets. Maar wat resteert er straks van mij? Tien jaar notulen van de raad van bestuur. ‘Tot slot maakte de heer Vis nog een interessante opmerking…’ Ik ben niet bang voor de dood. Misschien komt er iets hierna. Dat zou mooi zijn. Al geloof ik niet in het hellevuur. Dat God zijn boekhouding erbij pakt en al die streepjes gaat optellen. ‘Nou Vis, dat ziet er niet best uit, jongen.’ Ik denk dat ik op zich prima gekwalificeerd ben voor de hel. Roken, drinken, koekjes jatten, dames, het hele palet… er staat credit veel meer uit dan debet. Maar goed, dat heet leven, denk ik dan. Ik heb door het geloof van vroeger vaak schuldgevoel gehad bij wat ik deed. Maar ik dacht bij veel dingen die niet mochten toch ook vaak: nou ja, laat ik het maar doen, want schuldgevoel krijg ik toch wel.”