Stuff

Het wordt hier tijd om op te ruimen en weg te gooien. De kelder is al leeg – met dank aan de schoonmaakhulp en haar man, die alles met glinsterende ogen in hun pick-up laadden, zogenaamd „om arme immigrantenfamilies te helpen”. De schoonmaakhulp heeft ervaring in deze linkse, welvarende buurt en weet als geen ander hoe onze rooskleurige idealen naar haar hand te zetten.

Ik geef geloof ik niet zoveel om spullen. Dat is, naast een nuffig zinnetje, luxe. En niet hetzelfde als boven het materiële staan, want een ander verhaal is het kopen zelf. Toen ik hier zes jaar geleden kwam wonen, werd snel duidelijk dat ergens aarden en het kopen van spullen onlosmakelijk verbonden kunnen zijn. Ik ondervond aan den lijve waarom een land van immigranten een voedingsbodem voor consumentisme is: zolang je nog wankelt op nieuwe grond, is iedere aanschaf een voorlopig ankerpunt.

Liever had ik geschreven dat ik hier ontspannen inburgerde met een fikse stapel Amerikaanse kwaliteitskranten en The New Yorker, maar in werkelijkheid vergooide ik een flink deel van die rusteloze eerste maanden in winkels om nutteloze waren te kopen. Zo staat een hartstochtelijke zoektocht naar een gordijnroede me nog scherp voor de geest. Ook was er de kortdurende, en overigens misplaatste, overtuiging dat je in dit land niemand fatsoenlijk te eten kon vragen zonder servetringen

Amerikanen gebruiken graag en vaak het woord stuff, dat niet voor niets machtig is aan betekenis. Stuff is een woord voor ‘spullen’, maar ook voor ‘nonsens’ , voor ‘heroïne’ en voor ‘essentie’, need I say more. (Nou vooruit dan: stuff betekent ook ‘kopij’).

Eén van de interessantere winkels van Amerika is een keten met de naam The Container Store. Deze winkel bestaat volledig uit stuff om stuff mee weg te werken. Hier kun je opbergers voor alles kopen: plastic dozen, houten kisten, manden, handige rekjes, hangzakken, mappen, blikken, potten, schoenprikkers (ze bestaan). Dit voor al uw tuinspullen, bestek, kleding, juwelen, speelgoed, make-up, cd’s, gereedschap, cadeaupapier, wc-rollen. Ook biedt The Container Store het soort oplossingen waaraan je nooit behoefte had, totdat je ze ziet. Het iPad-stoffertje. De eetlepelsteun. Het bustehouderwaszakje. De onderbroekjesorganizer. Een wandeling door deze winkel ontspant dieper dan een yogaklas. Leven mag dan in essentie op chaos neerkomen: The Container Store wekt de indruk dat ook de meest existentiële ordeloosheid frisjes is te reorganiseren – men hoeft eigenlijk alleen maar te kiezen tussen het ‘Like it modulaire opbergsysteem’ of de ‘Sapien boekenkist’.

Terwijl hier de kelder vol haastig van de trap gesmeten UPS-dozen (ook het internetwinkelen ontdekt in Amerika) oogde als vervallen kerkhof voor nutteloze aanschaf, kon dus alleen maar opvallen hoe vaak je hier in de kranten leest over hoarders. Dat zijn hamsteraars die hun huis laten dichtgroeien met spullen, totdat zelfs hun kinderen niet meer op bezoek willen komen. Ook op televisie zie je ze veel. In de realityserie Hoarders, proberen een psycholoog en een personal organizer een meestal hartverscheurend huilende hamsteraar in twee dagen van zijn spullen af te helpen. In ‘Hoarders: buried alive’ gebeurt min of meer hetzelfde.

Hamsteraars worden hier zo gretig bekeken als freaks. Ik kon me dit uit Nederland zo niet herinneren, en vroeg me af of hamsteren typisch een uitwas van het Amerikaanse consumentisme is. Ik belde Randy Frost, hoogleraar psychologie aan Smith College in Massachusetts, die samen met Gail Steketee het gezaghebbende ‘Stuff. Compulsing Hoarding and the Meaning of Things’ schreef. Frost doet sinds begin jaren negentig onderzoek naar hamsteraars en bezocht honderden van hun huizen. „Grappig dat je belt, ik geef net een gastcollege aan de Universiteit van Utrecht”, zegt hij.

Waarmee hij mijn vraag meteen maar wil beantwoorden. Er is vergelijkend onderzoek naar hamsteraars gedaan in Amerika, Groot-Brittannië, Italië, Duitsland en Japan, zegt Frost: overal kwam het onder 2 tot 5 procent van de bevolking voor.

Toch is er tussen Amerikanen en hun stuff iets ongemakkelijks aan de hand, erkent hij: neem het aantal opslagfaciliteiten voor particulieren, dat hier de afgelopen twintig jaar enorm groeide – overal tref je nu bijvoorbeeld de loodsen van Public Storage langs de snelwegen. Opslag werd een aparte industrie – zie ook het succes van The Container Store.

Maar dat, zegt Frost, betekent nog niet dat alle consumenten uiteindelijk hamsteraars dreigen te worden. Integendeel. „Eén van de interessantste eigenschappen van pathologische hamsteraars is juist dat zij niet in staat zijn tot het soort verspilling die in onze cultuur zo normaal is geworden. Zij geven nog een betekenis en waarde aan spullen die wij niet meer zien.”

De toegenomen aandacht voor de pathologische hamsteraar is dus wél een gevolg van de toename van stuff in Amerikaanse huizen – maar vooral van het bijbehorend knagend geweten.

Margriet Oostveen