Remona werkt weer, maar hoelang nog?

De bezuinigingen aan de onderkant van de arbeidsmarkt komen in de Limburgse mijn- streek, waar de sociale werkplaats de grootste werkgever is, hard aan. Honderden mensen dreigen hun gesubsidieerde baan te verliezen.

Remona, een goedlachse twintiger, heeft weer lol in haar werk. Wat begon als een stageplek in het kader van de WSW-regeling (Wet Sociale Werkvoorziening) – poetsen, koffie rondbrengen – is uitgegroeid tot een baan bij het grafisch productiebedrijf Multicopy Parkstad in Kerkrade.

Maar Remona’s baan staat op de tocht. Woensdag velt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een oordeel over kabinetsplannen om het aantal WSW’ers terug te brengen van 90.800 naar 30.000. Bovendien wordt er bezuinigd op de subsidie per WSW’er, en is het maar de vraag of gemeenten dan uit eigen middelen financieel kunnen bijspringen. Met name in voormalige industrieregio’s, zoals Kerkrade/Heerlen, komt de klap hard aan omdat de arbeidsmarkt daar sterk afhankelijk is van gesubsidieerde arbeid, zoals de WSW. Als de bezuiniging doorgaan, moet een stad als Heerlen 22 miljoen euro ophoesten of rigoureus schrappen in het aantal WSW-banen en begeleidingsprojecten.

Remona heeft daar nauwelijks weet van. Zij droomt van een toekomst in de grafische sector en hoopt dat ze er met het volgen van cursussen wel komt. Ook privé gaat het inmiddels goed. Ze woont samen met haar vriend, een vorkheftruckchauffeur. Haar ‘jobcoach’ van Radar Arbeidsintegratie bespreekt de voortgang op het werk regelmatig met haar. .

Vier jaar geleden zag Remona’s leven er anders uit. Toen woonde ze nog in een internaat en voltooide haar opleiding op de praktijkschool waar ze toen nog zat. Stages bij kledingketen Zeeman en in de keuken van een restaurant draaiden uit op een mislukking. Te weinig gemotiveerd en slechte begeleiding, blikt ze zelf terug op die periode. Remona kreeg niet voor niets een WSW-indicatie. Ze heeft een laag IQ, kan soms moeilijk met haar collega’s overweg en kan op het werk vaak moeilijk inschatten wat ze wel of niet kan.

Het is ook niet zo verbazingwekkend dat eerdere stages mislukten. Tot voor kort belandden jongeren met een WSW-indicatie in Heerlen massaal op wachtlijsten van soms wel drie jaar. Of ze kregen zonder begeleiding tijdelijk werk zonder enig perspectief op een baan daarna. Meer dan de helft van die jongeren haakte tijdens de stage al af.

In 2008 kwam daar in Heerlen verandering in. De gemeente startte een project waarbij alle jongeren tot 27 jaar op de WSW-wachtlijst aan de slag geholpen moesten worden: vrijwilligerswerk, een stageplaats of regulier werk. En vooral met heel veel persoonlijke begeleiding. Zowel op de werkvloer als thuis. De voortijdige uitval is inmiddels terug gebracht van 50 naar 3 procent.

Ook Remona kwam via Radar terecht bij Multicopy. Het was wennen, de eerste maanden – voor haar en de werkgever. Remona wilde liever méér dan alleen poetsen en koffie rondbrengen en straalde haar ontevredenheid over haar positie ook uit. Wat weer tot onbegrip leidde bij collega’s die toch al wat vreemd tegen haar aankeken. Totdat haar baas, Karin Litjens, iedereen tot de orde riep: „Wat willen jullie nou? Gaan jullie haar nog helpen of niet?”

Sindsdien komt Remona stralend op haar werk. Ze kijkt uit naar de cursus die ze hoopt te kunnen volgen. Want ze wil graag verder in het grafische vak. „Ze moet dan wel leren inschatten hoever haar polsstok reikt”, zegt Litjens. „Geen droombeelden nastreven die al op voorhand niet haalbaar lijken. Maar ze is gemotiveerd, dan is er veel mogelijk.”

Vrienden van Remona verbazen zich er wel eens over dat ze voor nauwelijks meer dan de bijstand werkt. Natuurlijk hoort ze vrienden wel eens zeggen: ga je werken?, voor zo weinig geld? „Maar dan zeg ik: Ik ga toch werken. Ik wil niet de hele dag thuis zitten en ik word er vrolijk van. ”

Gesubsidieerd werk zoals Remona doet is een belangrijke pijler voor de arbeidsmarkt in wat vroeger de Oostelijke Mijnstreek heette: een agglomeratie van 7 gemeenten, met Heerlen als centrumstad en in het totaal 255.000 inwoners. Waar Licom, het sociale werkvoorzieningschap met 4.500 werknemers de grootste werkgever van de regio is. Waar het aantal WSW’ers, ook in absolute cijfers, groter is dan in Rotterdam (2.700 WSW’ers) . En waar, in een stad als Heerlen, op een potentiële beroepsbevolking van 49.000 mensen, er 8.000 afhankelijk zijn van de WSW, de Wajong of de bijstand. Als daar de WAO’ers bij worden opgeteld, gaat het om zo’n 10.000 mensen, twintig procent van de beroepsbevolking, die aan de onderkant van de arbeidsmarkt bungelen.

Zo is in Heerlen 7,8 procent van de beroepsbevolking afhankelijk van een WAO-uitkering. Landelijk scoort alleen buurgemeente Kerkrade, met 8 procent, hoger. In Rotterdam, bijvoorbeeld, gaat het om 3,9 procent. In Heerlen zit 2,7 procent van de beroepsbevolking in een Wajong-regeling. Tegenover 1,2 procent in bijvoorbeeld Amsterdam. Of 1,4 procent in Rotterdam.

De kabinetsplannen om te bezuinigen op de WSW en de Wajong, de bijzondere bijstand en de participatieregelingen komen in Heerlen dan ook hard aan. Het is straks maar de vraag of Sandra (25 jaar) nog wel aan de slag kan op de arbeidsmarkt. Zij werkt nu als WSW’er bij woningcorporatie Wonen Limburg in Heerlen. 2011 is voor haar een topjaar, zegt ze zelf. Ze heeft nu niet alleen een baan, in augustus gaat ze ook nog trouwen. Sandra kon aan de slag als ‘facilitair medewerker’, ze brengt koffie en thee rond en maakt er schoon. Sandra weet van zichzelf dat ze langzaam en traag kan zijn. Dat ze het moeilijk vindt om zich te concentreren en dat ze snel onzeker is. Na haar WSW-indicatie ging ze aan de slag via uitzendbureaus en soms als vrijwilliger in een bejaardentehuis. Sinds kort is ze moeder en werkt ze halve dagen bij Wonen Limburg.

Net als Remona krijgt ook Sandra begeleiding van een jobcoach. Die praat met haar. Over hoe het op het werk gaat, maar ook over de situatie thuis. Op het werk zijn ze tevreden over haar. Ze heeft sinds kort zelfs een contract voor onbepaalde tijd. „Daarvoor zat ik altijd thuis, had ik alleen maar mijn vrijwilligerswerk. Dat wil ik nooit meer. Nu sta ik ‘s ochtends op tijd op, zorg ervoor dat ik mezelf gewassen heb en ga dan mijn kind verschonen.” Binnenkort gaat ze een computercursus volgen. „Ik heb inmiddels een e-mailaccount en wil weten wat ik daar op het werk allemaal mee kan doen.”

Herman Vrehen, algemeen directeur van Licom, ergert zich aan de karikaturen die van zijn sector worden gemaakt. „Premier Rutte had het over SW-bedrijven alsof het om dozen in weilanden gaat waarin mensen worden weg gestopt. Eenderde van ons personeelsbestand werkt op beschutte plekken, omdat het anders niet kan. Het zijn mensen met meervoudige problemen. Tweederde werkt elders, vaak in gewone bedrijven.”

Vrehen, voorheen gedeputeerde Economische Zaken in Limburg namens het CDA, denkt dat het bedrijfsleven die WSW’ers steeds meer nodig zal hebben. De vergrijzing is in Zuid-Limburg hoger dan elders in Nederland. Daarnaast geldt de voormalige mijnstreek als krimpregio. „Hier dreigt krapte op de arbeidsmarkt. Alleen al in de zorg komen er grote tekorten aan. Met ‘job carving’, het opsplitsen van taken van medewerkers, heb je een deel van de oplossing. Misschien wel 30 tot 40 procent van het werk van een verpleegkundige gaat op aan heel eenvoudige klussen die je ook door SW’ers kan laten doen. Dan komt die verpleegkundige toe aan zijn kerntaken. Ook in andere sectoren zijn er mogelijkheden, maar dan moet je werkgevers wel voor een deel ‘ontzorgen’ door de risico’s en de administratieve rompslomp op je te nemen.”

Karin Litjens van Multicopy beaamt dat. „Zonder begeleiding en subsidie van de overheid nemen werkgevers het risico niet. Het kost nu al heel veel energie om Remona bij de les te houden. Werknemers als Remona kosten gewoon extra tijd. Door haar handicap kan ze zich moeilijker uiten, laat ze soms spanningen oplopen tot de bom barst. Daar moet je als werkgever rekening mee houden. Goed bedoelde grapjes van collega’s kunnen bij haar verkeerd uitpakken. En er moet thuis ook begeleiding zijn. Remona kan bijvoorbeeld slecht met geld omgaan. Ze laat zich makkelijk inpakken door telefooncolporteurs. Ze heeft niet voor niets een financiële bewindvoerder. Is die begeleiding er niet en loopt het thuis spaak, dan is de kans groot dat het op het werk ook niet meer lukt.”.

Wethouder Riet de Wit (SP) van Arbeidsmarktbeleid gebruikt het gesubsidieerde werk juist om werklozen minder ‘uitkeringsafhankelijk’ te maken. Het is volgens haar een illusie om te denken dat de onderkant van de arbeidsmarkt in de Oostelijke Mijnstreek alsnog terecht kan op de reguliere arbeidsmarkt. „Het gaat hier om een erfenis van de mijngeschiedenis. Toen zijn hier op grote schaal mensen uit alle arme gebieden van Nederland en Europa neergestreken. Dat waren deels mensen die sociaal-economisch bovengemiddeld zwak en kwetsbaar zijn. En dat is een erfenis die generaties lang doorwerkt. In de structuur van de mijnindustrie konden de mensen zich hier nog wel redden. De mijn en de kerk zorgden voor bijna alles. Van woningen tot inkomen. Van zorg tot hypotheek. Dat kon de overheid na de mijnsluiting niet overnemen. En de beloofde werkgelegenheidsprojecten sloten lang niet altijd aan bij wat die voormalige mijnwerkers konden opbrengen.”

Zo ontstond er een wijdverspreide cultuur van uitkeringsafhankelijkheid. In sommige delen van de stad zijn inmiddels drie generaties opgegroeid in werkeloosheid, zonder enig perspectief op de arbeidsmarkt. „De ouders hebben een uitkering, de grootouders hadden een uitkering, dan weten de kleinkinderen bijna niet beter”, zegt De Wit. „We hebben hier de duidelijke keuze gemaakt om die vicieuze cirkel te doorbreken. We financieren kleine en grote prikkels om toch te gaan werken. Jongeren die gaan werken of studeren, krijgen een uitstroompremie van de gemeente. En er is coaching en begeleiding die al begint als jongeren nog het speciale onderwijs volgen. Maar daar komt nu de klad in. Als de bezuinigingen op de WSW doorgaan, kost ons dat 5.000 euro per werknemer per jaar. Dan gaat de armoede hier ook verder oplopen. Want het kabinetsbeleid om stapeling van uitkeringen op één adres te voorkomen, gaat juist hier diep ingrijpen. Hier zijn veel huishoudens waar ouders en inwonende kinderen van uitkeringen afhankelijk zijn. Wat hier gaat plaats vinden, is sociale kaalslag.”

De Wit acht de kans groot dat het bestuursakkoord tussen Rijk, provincies en gemeenten alsnog wordt ondertekend. „Er wordt nu nog hevig geprotesteerd. Maar de consequenties voor gemeentes zijn zó verschillend. Wij hebben hier in Heerlen 1.800 WSW’ers. In vergelijkbare gemeenten in Noord-Brabant, bijvoorbeeld Boxmeer, gaat het om 200 WSW’ers. Die lijden financieel veel minder pijn als gevolg van die bezuinigingen. Als het kabinet een beetje franje aan dat bestuursakkoord toevoegt, kan bij veel gemeenten toch de neiging ontstaan om in te stemmen.”

Maar De Wit zal dan niet automatisch opstappen, zoals de Rotterdamse wethouder Dominique Schrijer (PvdA) deze maand deed. Hij diende zijn ontslag in omdat hij zich in het college en de gemeenteraad te weinig gesteund wist om de bezuinigingen in zijn portefeuille op te vangen. Hij vond dat daardoor zijn geloofwaardigheid als bestuurder én politicus op het spel was komen te staan.

De Wit volgt dat voorbeeld niet. „In Rotterdam ging het meer om politieke dan om inhoudelijke overwegingen. Dat opstappen van Schrijer was onwaarachtig. Als wethouder hoor je eerst het gevecht aan te gaan. Dat hoort bij je eigen verantwoordelijkheid. Na afloop kun je dan alsnog conclusies trekken. Daarom kan ik nu geen ondergrens trekken. Pas als duidelijk is dat er voor die 10.000 mensen in de stad geen perspectief meer is en er voor de stad zelf ook geen perspectief meer is, dan is er ook geen plek meer voor mij als bestuurder.”

Het is dan ook maar de vraag of er dan nog bestaansrecht is voor Licom, met 4.300 medewerkers de grootste werkgever in de regio en het grootste sociale werkvoorzieningsbedrijf van Nederland. Licom dreigt volgens hem om te vallen als de aangekondigde bezuinigingen doorgaan. „Dit jaar stevenen we af op een verlies van 11 miljoen euro. Als die bezuinigingen daar volgend jaar bovenop komen, komt daar jaarlijks nog eens 30 miljoen euro bij. Op een begroting van 140 miljoen euro wordt dat onhoudbaar. Dan kunnen we alleen overeind blijven als we ons gaan richten op een heel ander deel van de arbeidsmarkt, de makkelijker bemiddelbaren, het laaghangend fruit. Maar dan laten we de echte onderkant in de steek.”

Remona is zich niet bewust van die risico’s. De discussie over de aanstaande kaalslag in de WSW gaat geheel aan haar voorbij. Remona wil gewoon werken: „Ik heb vriendinnen die ermee gestopt zijn. Die zitten nu thuis. Meestal met kinderen.”