Politiek heeft te weinig zicht op missies

Na de arrestatie van generaal Ratko Mladic op 26 mei wordt weer volop aandacht besteed aan de kwestie-Srebrenica.

Op 6 juli 2010 werden overste Karremans, majoor Franken en adjudant Oosterveen aangeklaagd voor het medeplegen van genocide en oorlogsmisdaden. Hun wordt vooral verweten dat ze mensen van de compound hebben gestuurd, terwijl ze hadden kunnen weten dat dit fatale consequenties zou hebben voor de betreffende mannen.

De steeds verdergaande strafbare verantwoordelijkheid van militairen maakt militairen kwetsbaar, wat de bereidheid van jongeren om de krijgsmacht te dienen wellicht beperkt. Een duidelijk mandaat vormt de sleutel tot een succesvolle missie.

Alhoewel we altijd spreken over lessons learned sinds Srebrenica, valt er nog steeds veel te leren. Nog altijd wordt de militaire opdracht in grote lijnen opgesteld door de Tweede Kamer, een politiek orgaan dat doorgaans weinig inzicht heeft in de noodzakelijke middelen voor een militaire missie.

Veelal gaat de aandacht uit naar de presentatie van een eventuele missie aan het Nederlandse publiek. Termen als ‘wederopbouw’ en ‘scholen bouwen voor jonge meisjes’ kunnen nu eenmaal rekenen op meer steun van de achterban. Dit zorgt echter ook voor politieke instemming met missies die niet toereikend zijn om de omstandigheden ter plaatse te beteugelen.

Ook in Srebrenica was sprake van een beperkt mandaat, waardoor Dutchbat nagenoeg met lege handen stond tegenover een zwaar bewapend Bosnisch Servisch leger.

Om dergelijke fiasco’s in de toekomst te voorkomen is het van groot belang dat de politiek oordeelt over de vraag of Nederland al dan niet deelneemt aan een nieuwe militaire missie, maar de voorwaarden en invulling van de missie overlaat aan het militaire kader.

Lenneke Sprik

Student militair recht, Universiteit van Amsterdam