Obama's Amerika leidt vanuit de achterhoede

De mooiste scene van het recente bezoek van president Obama aan Europa duurde maar een paar seconden. Het gebeurde toen de presidentiële limousine de poort van de Amerikaanse ambassade in Dublin wilde uitrijden. Op de tv-beelden is te zien hoe eerst een politie-BMW het ambassadeterrein verlaat – en daarbij even met zijn onderkant een verkeersdrempel schampt. Dan komt de lange limousine. Voorop wapperen een Amerikaans en een Iers vlaggetje, er klinkt gejuich en applaus.

Maar dan, kadeng! Het logge gepantserde gevaarte, bijgenaamd The Beast, blijft met zijn buik steken op de betonnen verkeersdrempel, schommelt nog wat hulpeloos heen en weer, en is dan onmiskenbaar gestrand. Een breedgeschouderde chauffeur stapt uit, kijkt niet-begrijpend naar het probleem, loopt eens om de auto heen – iedereen die wel eens een film van Laurel & Hardy of Monsieur Hulot heeft gezien herkent de komische mise-en-scène. En bovendien: het is een eeuwenoud genoegen om te zien dat ook de machtigen der aarde soms worstelen met alledaagse ongemakken.

Als Obama dezer dagen ook in politiek opzicht was vastgelopen, dan zou aan dit kleine verkeersincident vast een bredere betekenis zijn toegekend. Dan was het misschien zelfs opgewaardeerd tot metafoor van zijn presidentschap, zoals Gerald Ford, president van 1974 tot 1977, overkwam. Beelden van Ford die struikelde op een vliegtuigtrap en onderuit ging op de ski’s werden eindeloos getoond om te illustreren wat een politieke brekebeen hij was.

Dat is Obama bespaard gebleven – misschien ook omdat een van zijn beveiligers snel liet weten dat de president in een andere, identieke auto zat die er vlak achter reed. Om veiligheidsredenen rijden er vaak twee limousines mee, zodat voor een aanslagpleger onduidelijk blijft in welke auto de president zit.

Deze hobbel mag Obama uiteindelijk dus zonder al te veel moeite hebben genomen, een ander probleem in de beeldvorming heeft hem meer last bezorgd. In een artikel over zijn buitenlandse politiek dat eind april verscheen in het weekblad The New Yorker, omschreef een van zijn medewerkers zijn aanpak van de Libië-crisis als „leading from behind” – leiden vanuit de achterhoede. Dat is geen geschikte leuze om de verkiezingen mee in te gaan, schreef het blad, maar het omschrijft wel precies de manier waarop Amerika onder Obama zijn leidersrol opvat. Voorbij is de tijd dat Amerika alle problemen alleen aan kan, beseft Obama. Samenwerking met andere landen, en een minder dominante opstelling van de VS, zijn daarom geboden.

Die analyse was koren op de molen van Obama’s critici, die hem toch al slapheid verweten. Hoe kan een leider die opereert vanuit de achterhoede het land ooit uit de problemen halen? Hoe kan hij partij bieden aan de opkomende machten in Azië, die Amerika’s economische positie bedreigen en straks wellicht zijn politieke en militaire macht?

Maar de schade aan het imago van Obama als leider bleef beperkt, want amper een week nadat het artikel was verschenen vonden, en doodden, Amerikaanse elitetroepen Osama bin Laden. De president had nu duidelijk het klassieke soort leiderschap getoond dat Amerikanen waarderen: hij had risico genomen en het had goed uitgepakt. Als het buiten zijn schuld was misgelopen had hij precies hetzelfde leiderschap getoond, maar zou hij die waardering ongetwijfeld niet hebben gekregen. Hoe dan ook kon het verwijt van slapheid nu even niet meer worden gemaakt.

Maar de typering „leading from behind” blijft raak: ze sloeg niet zozeer op de stijl van Obama persoonlijk, alswel op de opstelling van de Verenigde Staten in de wereldpolitiek. In Libië stonden voor de VS geen heel grote belangen op het spel, en dus liet Obama de leiding van de oorlog graag over aan de Parijs, Londen en de NAVO. Op de achtergrond speelt Washington ondertussen, als verreweg het belangrijkste land in de NAVO, nog wel degelijk een hoofdrol.

In zijn toespraak tot het Britse parlement ging Obama vorige week in op het „modieuze” idee, zoals hij het noemde, dat de opkomst van landen als China, India en Brazilië onvermijdelijk gepaard gaat met het afkalven van de macht van de VS en Europa. Onzin, volgens Obama, „de tijd voor ons leiderschap is nu”. Want wie anders komt er op voor de beginselen van de vrije markt, voor vrede en veiligheid en voor de mensenrechten? Alleen: de tijden zijn veranderd, de manier waarop we leiding geven moet veranderen, we zullen meer met verschillende partners moeten optrekken.

Voor de bondgenoten van Amerika betekent dit dat ze zich minder makkelijk achter de grote broer kunnen verschuilen. Dat ze er niet meer automatisch op kunnen rekenen dat Amerika de kastanjes wel uit het vuur haalt. En dat ze soms meer verantwoordelijkheid moeten nemen dan ze de afgelopen decennia gewend waren, omdat Amerika soms andere prioriteiten heeft.

Obama zit niet vast op een verkeersdrempel, maar hij zal wel nieuwe routes uitproberen.

Juurd eijsvoogel