Neuroseksisme?

Inmiddels heb ik ook het boek Waarom we allemaal van Mars komen van de Amerikaanse psychologe Cordelia Fine gelezen (‘Het menselijk brein, m/v’, wetenschapsbijlage, 28 & 29 mei). Ik vind het echter een bedenkelijk, ja zelfs een gevaarlijk boek. Fine is namelijk zeer huiverig voor ‘genderstereotypering’ en wil dat ouders hun kinderen weer sekseneutraal opvoeden, dat jongetjes óók weer moeten leren met poppen en meisjes weer met autootjes te spelen. Ze meent dat alle biogenetische verschillen ons zijn aangepraat, al vertelt ze er niet bij door wie en waarom. Dat kinderen nochtans zo beschadigd en geïsoleerd kunnen raken, behoeft nauwelijks een betoog.

Fine is volgens mij een ‘gelijkheidsfundamentaliste’. Zo verwijt ze andere populaire wetenschappers en schrijvers herhaaldelijk neuroseksisme, omdat zij wél de sekseverschillen nader duiden. Maar wie haar boek goed leest, kan niet aan de indruk ontkomen dat er bij haar sprake is van ‘neurohaarkloverij’ en dat tot ver achter de komma. Fine wringt zich namelijk in allerlei bochten om toch maar vooral te bewijzen dat man en vrouw gelijk zijn. Echter man en vrouw zijn geen kloon van elkaar en presteren altijd naar kunne en kunnen. Vrouwen zijn geen minderheid op aarde. Als volgens Fine vrijwel niks zeker is over de hormonale en cerebrale verschillen tussen man en vrouw, hoe verklaart zij dan dat:

• Mannen niet alleen van Mars komen, maar ook naar Mars gaan? Dus waarom vrouwen geen ruimteschepen bouwen om naar Venus te gaan? En vrouwen ook geen deeltjesversnellers, kerncentrales/raketten, vliegtuigen, auto’s, treinen, computers enzovoorts ontwerpen en bouwen?

• Waarom 99,9 procent van alle ontdekkingen en uitvindingen op aarde dus nog steeds door de man wordt verricht?

• Waarom sportvrouwen die mannelijke hormonen slikken (anabole steroïden) aantoonbaar beter presteren en zichtbaar vermannelijken?

• Waarom mannen meer van seks, porno en mannenbladen houden en vrouwen meer van roddel, soap en damesbladen?

• Waarom vrouwen nooit een eigen historisch referentiekader en instrumentarium hebben ontwikkeld, maar voor hun dagelijks functioneren geheel afhankelijk zijn van wat mannen ontdekken en uitvinden?

Fine’s boek is een typisch studeerkamerboek, met een hoog wishful thinking-gehalte ver van de reële werkelijkheid vandaan. Van Fine mogen blije ouders bij de geboorte van hun kind niet meer uitroepen: ‘Het is een jongen!’ of ‘Het is een meisje!’ (blz. 230), want dan ben je als ouders al vooringenomen en doe je aan ‘genderstereotypering’. Dus ouders: geen roze of blauwe muisjes meer hoor! Maar geslachtsloze kindjes bestaan natuurlijk niet, en evenmin een geslachtsloze opvoeding.

Misschien is het een goed idee als eens wetenschappelijk wordt onderzocht waarom sommige vrouwen per se willen bewijzen dat ze net zo goed zijn als mannen terwijl mannen omgekeerd die behoefte niet voelen. Waarom willen sommige vrouwen per se van Mars komen? Wat is er mis met (hun) Venus?

Adriaan Slooff

Arnhem