Maastricht op een drafje

In Maastricht is het goed ‘sightrunnen’. Hollend langs kerken en sterrenrestaurants.

Raoul Spronken (41) houdt van snel. Rennen door een stad vindt hij leuker dan wandelen. Zelfs op vakantie. Terwijl zijn vrouw Kaapstad bekeek, liep hij er een wedstrijd. En ook Madrid bekeek hij al hardlopend.

In Brussel ontdekte Raoul Spronken vorig jaar iets nieuws: sightrunning. Een gids in sportbroek leidt je langs de belangrijkste beziens- waardigheden van de stad, terwijl je rent.

Dat kan nu ook in Maastricht. Spronken biedt er sinds kort zijn ‘running tours’ aan. En het is een succes: vier keer in de week loopt hij een tour van zo’n zes kilometer met maximaal acht deelnemers. Vooral expats, toeristen en congresgangers melden zich aan. „De meesten hebben hun loopschoenen al in hun bagage, en zijn op zoek naar een mooie route”, zegt Raoul Spronken. Zijn slogan? „Bij mij krijg je een volledige work-out en een volwaardige rondleiding.”

Op zondagochtend tien uur verzamelen we op Plein 1992. Net over de Maas, op de plek waar de gasten zich gisteravond nog te goed deden aan de sterren van restaurant Beluga, stretcht Sueli Brodin haar spieren voor een uurtje hardlopen. Ze komt uit Brazilië, maar woont al jaren in Nederland en houdt van hardlopen. De Russische Anna Ogorodova, die hier een PhD-studie volgt, wil Maastricht graag beter leren kennen.

Raoul Spronken schudt zijn benen en geeft instructies. „Denk aan de verkeersregels en probeer achter me te blijven.” Dan jogt hij richting de Hogebrug. Bovenaan trekt hij een historische plattegrond uit zijn rugtas. Dit is het startpunt: „Vanaf hier heb je het mooiste uitzicht.”

Spronken wijst ons de oude en de nieuwe stad. Het Bonnefantenmuseum („De raket”) en de plekken waar vroeger de kanonnen stonden opgesteld. Na een korte les geschiedenis, rent hij de brug over, richting het oude stadshart.

Maastricht heeft de reputatie van een bourgondische stad. Hotels richten zich op ‘levensgenieters’, ‘smulpapen’ en ‘rustzoekers’. Vraag je een willekeurige bewoner wat hem kenmerkt, dan zegt die: humor en gastvrijheid, en hij komt altijd een kwartier te laat.

Hoe anders is de tocht van Raoul Spronken. In hoog tempo loodst hij ons door het Stokstraatkwartier, over de Markt, richting het Stadspark. Terwijl ik me concentreer op stoepranden, keien en een groep Japanse toeristen, wijst Raoul in de rondte.

„Links de toneelacademie. Daar heeft Monique van de Ven nog opgezeten.”

„Hieronder – op zes meter diepte – lagen de thermale baden.”

„Daar, de stadsmuur.”

„Het pesthuis.”

„Een fietser.”

Maastricht is klein en dat biedt voordelen. De afstanden tussen de „hoogtepunten” zijn niet erg groot. Spronken heeft de route zo uitgestippeld dat we onderweg geen stoplichten tegenkomen. Steile trappen worden afgewisseld met vlakke stukken door het park – zonder verkeer en al te veel obstakels.

Bovendien blijft onze gids af en toe stilstaan om uitleg te geven. Ik ben opeens buitengewoon geïnteresseerd in de kalkstenen gevel van een huisje bij rivier de Jeker. Want méér vragen betekent méér tijd om op adem te komen.

„Het riool komt uit boven de rivier, vroeger plonsde alles recht naar beneden.”

Spronken vult geschiedkundige feiten aan met zijn eigen kennis. Hij vertelt over de drie beren in het Stadspark, die hij als kind bezocht. Over de acties van buurtbewoners om de beesten uit hun kleine verblijf te krijgen. Over het verschil tussen de bewoners van de oude en de nieuwe stad en over de universiteit waar hij werkzaam is.

Zes kilometer lijkt misschien niet veel. Maar Limburg glooit, en de trappen en bruggen voel je al gauw in je benen. Extra zwaar blijkt praten én rennen. Een gids die moeite doet om je iets bij te brengen wil je tenslotte ook antwoord geven. Maar naarmate de tocht vordert wordt onze groep stiller.

De verrassing moet dan nog komen. Want op driekwart van de route doemt plots de imposante Maastrichtse „kerktweeling” op. Aan het Vrijthof staat rechts de protestantse Sint-Janskerk met vlak ertegenaan nóg een enorme kerk: de rooms-katholieke Sint-Servaasbasiliek. Deze oudste kerk van Nederland werd een basiliek, nadat paus Johannes Paulus II de Servaaskerk in 1985 bezocht. Slechts gescheiden door een smalle steeg (Het Vagevuur) bezoeken de katholieken en protestanten op deze plek al eeuwen de dienst. Hier voelt de toerist meteen het nadeel van deze tocht. Ik wil naar binnen. De kerk in. Meer zien dan alleen de buitenkant.

Maar onze tocht gaat verder. We rennen langs de kroegen van het Vrijthof, via de Maas naar het startpunt van de tocht. Na 1 uur en 22 minuten – en een afstand van 6,12 kilometer – zijn we terug op Plein 1992.

En dan weet je waar je voor terug moet komen in Maastricht. Want een runningtour is vooral geschikt als snelle verkenning. Een efficiënte manier voor mensen met weinig tijd, voor mensen die willen sporten voordat ze aan een Maastrichts diner beginnen.

Na een uur ken je de belangrijkste pleinen (Vrijthof en de Markt), je weet waar de designers zitten (Stokstraatkwartier). En ook de boekhandel waar we voorbij sprinten, is volgens de gids erg de moeite waard. „Je weet niet wat je ziet, zo mooi is het hier.”