'Kunst hebben maakt gelukkig'

De Kunsthal in Rotterdam is zijn voorsprong kwijt, zegt directeur Emily Ansenk bij een oester met venusrijst. ‘We moeten een list verzinnen.’

Precies op tijd komt ze binnen waaien. Emily Ansenk, 41 jaar, directeur van de Kunsthal in Rotterdam. Zwart jasje en broek, de veelkleurige schoenen van United Nude, frisse blos van het fietsen met wind tegen. Ik spring van de barkruk waarop ik op haar wachtte. Dit lijkt geen vrouw voor plichtplegingen. Zonde van de tijd. Aan de slag.

We eten in het restaurant van het Wereldmuseum. Haar keuze. Twee keer heb ik gecheckt of de afspraak echt wel hier was, en niet in haar eigen Kunsthal, even verderop. Ze grinnikt. „Collegiaal hè.” In haar café zijn er kroketten met brood. „Ook prima. Maar nu wilde ik iets dat dichtbij mijn kantoor is. Iets echt Rotterdams én ik wilde laten zien dat elk museum het op z’n eigen manier doet. Dit restaurant bedruipt het museum. Met de opbrengst kan het museum de collectie onderhouden en stukken aankopen. En: je eet hier lekker.”

Sterrenkok Cees Heldring is de adviseur van de keuken. En dus komt er regelmatig een ober langs die wil vertellen wat de kaart voor bijzonders te bieden heeft, of dat de zoutjes op tafel zijn bespikkeld met roze peper en parmezaan. Heel vriendelijk, maar ook heel beslist, brengt Emily Ansenk de ober van dat voornemen af. Om zich later af te vragen, als helemaal niemand zich meer aan tafel meldt, of ze niet iets te bruusk was.

De vorige Kunsthal-directeur Wim Pijbes noemde het een ‘Generationswechsel’, toen hij overstapte naar het Rijksmuseum in Amsterdam en Emily Ansenk hem opvolgde. En hij bedoelde niet alleen haar leeftijd. Het is het gemak waarmee ze ‘haar’ museum verkoopt. De vanzelfsprekendheid waarmee ze uitlegt dat kunst niet alleen een kostenpost hoeft te zijn, maar ook „geld kan maken”. Vast ook een van de weinige directeuren die precies weten hoe de bedrijfsvoering in elkaar zit. Die feiten en cijfers oplepelt zonder dat je in slaap valt. Dus even in het kort: de Kunsthal zit in het gebouw dat is ontworpen door architect Rem Koolhaas. Emily Ansenk noemt het een ‘architectonische toverdoos’, waar bijna alles kan. Een tentoonstelling over mummies, maar ook een over Hipstamatics, zoals nu. Een verzameling foto’s die gemaakt zijn met een iPhone-app.

Met zo’n mooi gebouw, zegt ze, sta je altijd 2-0 voor. Maar er is wel vaak wat stuk. De gemeente Rotterdam betaalt 1,7 miljoen euro voor het onderhoud en het beheer van het gebouw, maar dat is niet genoeg. Uit de entree wordt 1,2 miljoen gehaald en uit ‘de markt’ 1,4. De Kunsthal hoeft geen geld uit te geven aan het onderhoud van de kunstcollectie, want die heeft hij niet. Met 25 vaste krachten (de suppoosten en de caissières meegeteld) zijn er per jaar een stuk of 25 tentoonstellingen. Zo’n klein team is een voordeel, maar ook een valkuil. „Als onze ene educatiemedewerker omvalt, hebben 50.000 kinderen geen kunstonderwijs meer.” Verder is het café verpacht, de museumwinkel ook en de rondleidingen zijn uitbesteed.

Maar er is altijd te weinig geld en dat wordt nog vervelender nu alle musea minder hebben, omdat dit kabinet bezuinigt op kunstsubsidies. „Iedereen stort zich op de usual suspects, de bedrijven of de fondsen die altijd wel wat geven. Die hebben ineens keuze en zeggen tegen ons: je bent even niet aan de beurt.” De Kunsthal had een voorsprong, zegt Emily Ansenk, omdat hij al twintig jaar zelf geld zocht en vond. „Maar misschien is het een remmende voorsprong. We moeten een list verzinnen.”

Zwarte venusrijst

De ober brengt een klein bordje en zegt snel wat erop ligt. Een oester op een bedje van zwarte venusrijst. Emily Ansenk taxeert het en zegt, vooral tegen zichzelf, dat ze dit in één hap gaat opeten. Het lukt haar in twee. Ze zoekt haar „denklijn” van daarnet. Helpt netwerken, help ik. Ze trekt een gezicht. „Dit is geen spelletje, maar de harde werkelijkheid. Mensen moeten vertrouwen in jou en je beleid hebben en dat kost tijd. Ik kan toch straks niet zeggen: ‘Leuke lunch. Lekker gegeten. Trouwens, ik heb nog een ton nodig.’”

Ze kan het wel heel goed, netwerken. Dat zeggen mensen die haar kennen. Maar misschien moet je het gewoon niet zo noemen en is het niet iets wat ze doet, maar gewoon hoe ze is. Dat kunst en zakendoen best samen kunnen gaan, leerde ze toen ze stage liep bij Kunstzaken van de ING bank, een afdeling die werd gerund door Sacha Tanja. Zij zorgde ervoor dat Kunstzaken direct onder de raad van bestuur viel. De bestuurders begrepen dat het goed was voor een bank om een eigen collectie moderne kunst te hebben. „Ons werk was bijna opvoedend.” Een deel van de ING-collectie is nu aangekocht door het Drents Museum.

Bij ING leerde ze hoe belangrijk het was iedereen te kennen, ze leerde er „kijken, keuren en onder woorden brengen wat ik goed vind en waarom”. En dat had ze weer hard nodig als er nieuwe kunstwerken in de ING-kantoren werden opgehangen. „Dan moest ik een verhaal hebben. Dat het kunst was wat ze op hun kamer kregen en ook mooi.” Of als ze bij mensen thuis kwam om hun verzameling te bekijken, en negen van de tien keer ook nog moet kijken naar de aquarellen van de vrouw des huizes. ‘Wat vindt u dáár nou van?’

Tijdens die stage ontmoette ze Dirk Scheringa, oprichter van de DSB-bank, die in 2009 door de minister onder curatele werd gesteld en failliet ging. Maar in 1995 was het nog niet zo ver. Nog lang niet. Dirk Scheringa zocht iemand die hem kon helpen zijn verzameling realistische kunst uit te bouwen. Op zijn verzoek had Emily Ansenk haar afstudeerscriptie (over de invloed van het magisch realisme op de naoorlogse kunst) naar hem opgestuurd. Hij nodigde haar daarna uit voor wat later een sollicitatiegesprek bleek. Ze kon beginnen, op haar 25ste, als directeur van een museum dat er nog niet was. Het Frisia Museum groeide uit tot het Scheringa Museum voor Realisme, met 25 werknemers en een eigen collectie van 1.200 werken. In 12,5 jaar tijd gekocht door Emily Ansenk, soms alleen, soms samen met Baukje en Dirk. Zij bereidde de bouw voor van een nieuw museum met 22 zalen in Opmeer dat in 2010 geopend zou worden. Maar in 2008 vertrok ze. Anderhalf jaar voordat de bank omviel, de complete collectie in beslag werd genomen en de bouw van het museum – het was bijna af – werd gestaakt.

„Vaak zeggen mensen: ‘Gelukkig was je er nét op tijd weg.’” Dat veronderstelt, zegt Emily Ansenk, dat ik een plan had. Maar ze ging niet weg omdat er iets mis was met het museum – het werd professioneel gerund. Ze ging niet weg om Scheringa zelf – „Het is een ontzettend aardige man”. „Als alles goed was gegaan en het Scheringa-museum met veel tamtam en de koningin erbij was geopend, dan hadden mensen gezegd ‘Wat jammer voor je dat jij daar niet meer bij bent.’” Ze kon directeur bij de Kunsthal worden, daarom ging ze. Ze was net van Amsterdam naar Spanbroek verhuisd, naar een boerderij tegenover het museum. „Ik bleek in verwachting van een tweeling. Jongetjes. Dat zag ik niet zitten op een bovenwoning.” Voor de Kunsthal verhuisde ze naar Rotterdam.

Na de val van Scheringa werd wel gezegd dat zijn museum niet meer dan een duur ‘speeltje’ was, net zoals ‘zijn’ voetbalclub AZ. Emily Ansenk haalt haar schouders op. „Ach, hij had ook zes boten in Cannes kunnen kopen. Maar hij gaf er Nederland een heel aardig museum voor. Daar hebben we van genoten en nu is het voorbij.”

Ze vindt het „in en in verdrietig” dat het museum niet meer bestaat. „De dag dat die deur op slot ging, dat was voor mij het einde.” Maar de kunstwerken dan? Alle werken staan opgeslagen en de collectie zal waarschijnlijk niet als één geheel blijven bestaan. Zij, resoluut: „Mij gaat het om het museum. Het was klein, maar het had zijn plek in het museale landschap verworven. Een echt kunstenaarsmuseum, waar kunstenaars graag kwamen. Waar anders zag je zoveel realistische kunst bij elkaar, in een oud schoolgebouw waar de koffiejuffrouw meer van Willink wist dan de gemiddelde bezoeker?”

Het simpele feit dat die kunstwerken door één man zijn verzameld, en dat hij het de Scheringa-collectie noemt, is eigenlijk niet relevant. „Dat klinkt hard. Maar een collectie is alleen maar een collectie als anderen dat ook vinden.” Ze kent veel verzamelaars, en de meesten weten dat het niet reëel is te wensen dat de verzameling na hun dood behouden blijft. „Als musea er iets van willen hebben, prachtig. De rest gaat de markt weer op.” Het gaat om het plezier van het verzamelen. Bedoelt ze: de verzameling compleet krijgen? „Het is geen postzegels verzamelen. Complete kunstcollecties bestaan niet. Er zijn wel verzamelaars die alleen de kunst willen van kunstenaars die ze kennen. Met wie ze een wijntje kunnen drinken in zijn atelier. Fair enough.”

Maar wat hebben ze er nou aan als ze zoveel hebben verzameld dat ze het ergens moeten stallen omdat het niet meer in hun huis past? „Het kijken, kopen, hébben. Kunst hebben maakt gelukkig. Je loopt in een galerie, iets ontroert je, er hangt een prijskaartje aan, je kunt het kopen, hup in je tas. Vind ik ook heerlijk. Sommige mensen ademen met kunst. Die passie gaat verder dan de muren van hun huis.”

Zij kent veel verzamelaars persoonlijk. En zij lenen wat zij verzamelden graag aan haar uit. Nu te zien in de Kunsthal: de Caldic-collectie van de Rotterdamse ondernemer Joop van Caldenborgh, eigenaar van Caldic Chemie. Zo’n man, hij is nu 70, die op zijn zestiende zijn eerste kunstwerk kocht, van het geld dat hij had verdiend met zijn krantenwijk.

Ze ontmoette hem toen ze bij de ING werkte. Ze pakt haar iPhone uit haar tas. Foto’s van de rondleiding die ze gaf aan 75 schoolkinderen. „Van Caldenborghs kleindochter en mijn dochter bleken toevallig in dezelfde klas te zitten.” Op de foto een tros kinderen onder een kunstwerk van Michel François. Het lijkt een levensgrote kroonluchter, gemaakt van 540 plastic zakjes gevuld met water en bijeengehouden door visdraad. „Zo mooi. De kinderen kregen er geen genoeg van. Dat kan ook komen omdat ik had gezegd dat er in het middelste zakje een goudvis zat.” Ook in de zalen: de porseleinen inktvlekken van de Chinese kunstenaar Ai Weiwei, en een groepje van vijf grijze afvalzakken van Gavin Turk. „Zo’n sympathieke man die Van Caldenborgh, zeiden de suppoosten. Maar had hij niet niet éven zijn troep op kunnen ruimen.”

Alle borden zijn schoon op. Emily Ansenk had al zeker een uur geleden weg gemoeten. Het jaarplan moet de deur uit en de subsidies voor 2012 aangevraagd. De manager in haar komt even boven. Ze wil on-the-side fondsen oprichten waarin particuliere donateurs kunnen participeren, met fiscale aftrek. „Er wordt alleen gedacht aan bezuinigen, niet aan geld met geld genereren.” Ze geeft één voorbeeld: „We houden nu twee keer per jaar een zakenkring in de Kunsthal. Komen er 190 Rotterdamse ondernemers vergaderen. Dat kunnen ze ook in een zaaltje bij Ahoy, maar bij ons krijgen ze een rondleiding lang Edward Munch en praten ze aan de bar eerst over hoe mooi dat is. Wij leveren inspiratie. Zo komen we er samen rijker uit.”