Kille carrièremakers vernielen samenleving

Elsbeth Etty neemt wekelijks de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een eerste oordeel.

Niet alleen voor schaakliefhebbers interessant: Eindspel. Het wonderbaarlijke leven van schaaklegende Bobby Fischer door Frank Brady (Vert. Maarten van der Werf en Huub Groenenberg, Thomas Rap, 478 blz. €29,90). Wie nauwelijks een pion van een loper kan onderscheiden, maar een mooie biografie apprecieert, zal gefascineerd raken door het leven van de Amerikaanse grootmeester Bobby Fischer (1943-2008) die in 1972 de wereldtitel op de Rus Spasski veroverde. Excentriek is een te zwakke kwalificatie. Het onhandelbare genie ontwikkelde zich tot een antisemitische waanzinnige en dit boek gaat weliswaar over schaken, maar ook over genialiteit, achterdocht, de Koude Oorlog, politieke intriges op het hoogste niveau, gekte en ondergang. De auteur was lange tijd met Fischer bevriend en heeft alles over hem gelezen, inclusief dossiers van de FBI en de KGB en vertalingen van buiten de VS verschenen stukken. Wat ontbreekt in dit boek zijn analyses en annotaties van Fischers schaakpartijen.

De gelauwerde kinderboekenschrijver Guus Kuijer moet van het door Fischer beleden antisemitisme even weinig hebben als van het anti-islamisme van Wilders. „De haat die erachter zit zal niet alleen moslims treffen, maar ook wetenschappers, kunstenaars en anderen met ongewone gedachten, afwijkende levensstijl of lichaamsvorm, want haat bestrijkt altijd een groter gebied dan hij doet voorkomen.” In Draaikonten & haatblaffers (Athenaeum, 221 blz., €17,50) situeert Kuijer de geboorte van de Nederlandse tolerantie aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Zijn hoofdpersoon is de Spaanse humanist Montano, die in het gevolg van de hertog van Alva naar de Nederlanden kwam en zich hier laafde aan het gedachtegoed van Plantijn, Lipsius, Ortelius en Kuijers echte held: Coornhert. Dat geeft aanleiding tot persoonlijke mijmeringen over verdraagzaamheid versus etnisch en religieus chauvinisme. In dit gemoedelijke pleidooi voor vriendelijkheid springt Kuijer wel erg gemakkelijk van de 16de naar de 21ste eeuw. Hoe sympathiek ook, ik had liever een echte biografie van Montano gelezen.

Het waardevolste boek van deze week, Verzamelde gedichten van Emily Dickinson (Van Oorschot, 859 blz. € 29,90) bevat ruim de helft van de poëzie van deze grote negentiende eeuwse Amerikaanse dichteres in de vertaling van Peter Verstegen. Ik ben Dickinson ooit gaan lezen dankzij de essays van Vestdijk over haar werk. Sindsdien zijn er drie, elkaar op cruciale punten, tegensprekende biografieën verschenen, de laatste van Lyndall Gordon, in 2010. Verstegen verwerkt alle informatie in zowel zijn commentaren op de afzonderlijke gedichten als in de biografische schets waarmee hij deze vuistdikke bundel besluit. Om van Dickinsons poëzie te genieten is de biografische informatie niet noodzakelijk, maar vooral de liefdesgedichten uit 1861 winnen er wel door aan zeggingskracht. Gelukkig staan de sprankelende, modern klinkende Engelse verzen naast de in mijn ogen soms nogal stroeve Nederlandse vertalingen ervan.

Dickinson-fan A.S. Byatt schreef een van de drie biografische nawoorden bij de roman Een verloren vrouw (Vert. Gerda Baardman, Cossee, 158 blz. €19,90) van de in Nederland vrijwel onbekende Willa Cather (1871-1947). „Ze was al moderniste toen Dos Passos, Hemingway en Fitzgerald nog kleine kinderen waren”, aldus Byatt, die de lesbische Amerikaanse journaliste en schrijfster niet zomaar een goede auteur noemt, maar „groot, uniek”. Ze vindt A lost lady (1923) over het verval van de pioniersmentaliteit een meesterwerk en ik deel die mening. De thematiek, risicovol leven onder keihard kapitalisme waarin kille carrièremakers uit onder andere de banksector de samenleving vernielen, heeft niets aan actualiteit ingeboet.

In Kapitalisme zonder remmen (Nieuw Amsterdam,128 blz., €12,95) beschrijft historicus Maarten van Rossem de opkomst en ondergang van het marktfundamentalisme. Een heldere uiteenzetting over de doorbraak eind jaren zeventig van het neoliberalisme met zijn obsessie voor belastingverlaging, deregulering van de financiële sector en afkeer van overheidsinterventie. Te beginnen met het naoorlogse compromis tussen overheid, kapitaal en arbeid, behandelt Van Rossem in kort bestek de voorgeschiedenis van de kredietcrisis van 2008. Hij doet feitelijk verslag, maar is duidelijk geen bewonderaar van de financieel-economische elite. „Bezien wij de hele periode sinds de jaren tachtig, dan vertoonde de financiële sector vooral het talent om winsten te privatiseren en verliezen te socialiseren.” Het lijkt erop dat de als docent gepensioneerde Van Rossem nu in arren moede schriftelijk college geeft, zonder de met flair bereden stokpaardjes en vermakelijke uitweidingen die hem als spreker populair maken.