Kern- en andere energie

De tournure die de Duitse regering onder leiding van de bondskanselier (en fysicus) Angela Merkel vorige week heeft gemaakt met haar besluit om binnen elf jaar alle zeventien Duitse kerncentrales te sluiten, zal de buurlanden en de rest van Europa zeker niet onberoerd laten. En terecht, want energievoorziening is een van de grotere mondiale vraagstukken van dit moment.

Kernenergie fungeert daarbij als splijtzwam. De Europese Unie bijvoorbeeld is nauwelijks tot een communautair gedragen energiebeleid in staat, bijvoorbeeld doordat acht lidstaten tegen kernenergie zijn, terwijl andere landen juist van plan zijn om meer kerncentrales te bouwen, of daar al mee bezig zijn (Frankrijk, Finland). Dat gebrek aan Europese eenheid op politiek niveau is te betreuren, temeer daar zeker in Noordwest-Europa de energiemarkt steeds meer verwerven raakt en landen onderling van elkaar afhankelijk zijn en steeds vaker worden.

Het besluit van de Duitse regering, waarvan nog moet worden afgewacht hoe houdbaar het zal zijn, is politiek begrijpelijk, gelet op de weerstand onder de bevolking tegen kernenergie. Maar het is ook te betreuren, omdat emotionele en electorale overwegingen de rationele argumenten lijken te hebben overtroffen. De kernramp in Japan in maart is de beslissende factor geweest. Maar zolang de oorzaken daarvan niet precies zijn vastgesteld, is het voorbarig om gevolgtrekkingen voor andere kerncentrales, elders op de wereld, te maken. Zomin als een onveilig gebleken Japanner zou moeten betekenen dat ook Franse en Duitse auto’s van de weg moeten worden gehaald. Ook voor kerncentrales geldt: de ene is de andere niet.

Het is jammer dat de Duitse regering niet heeft gewacht op de resultaten van de stresstest waaraan alle 143 kerncentrales in de Europese Unie nog dit jaar worden onderworpen.

Nederland is maar een bescheiden kernenergieconsument. Waar in Frankrijk de elektriciteitsproductie voor 78 procent uit kernreactoren komt, in België voor 55 procent en in Duitsland voor (nu nog) 25 procent, scoort Nederland 9 procent. Daarvan is 5 procent afkomstig uit de enige kerncentrale hier: in Borssele. De rest wordt geïmporteerd uit vooral Frankrijk en Duitsland. Nederland staat voor de vraag of het meer kerncentrales moet bouwen. Het kabinet houdt het voorlopig op één centrale erbij, ook in het Zeeuwse Borssele.

Het zou voorbarig zijn op basis van het ongeluk in Japan en de besluitvorming in Duitsland van dit voornemen af te zien. De eindigheid van fossiele brandstoffen en de onwenselijke afhankelijkheid van energieaanvoer uit verre en soms vreemde landen zijn goede argumenten voor een royalere benutting van andere energiebronnen. En zeker is de uitstoot van broeikasgassen als CO2, waarover deze week weer zorgwekkende cijfers naar buiten kwamen, daarvoor een goede reden.

En dan is absoluut niet alleen kernenergie het alternatief. Helaas loopt Nederland achter als het gaat om het gebruik van duurzame energie. De Algemene Energieraad, een adviesorgaan van de regering, becijferde onlangs dat Nederland op basis van doelstellingen van de EU over negen jaar 37 procent van zijn elektriciteit duurzaam zou moeten produceren. Om van de huidige 9 procent dat niveau te halen, is een jaarlijkse investering van 4,5 miljard euro vereist. De Energieraad heeft er een vergelijking aan toegevoegd: dat is eenzelfde inspanning als de bouw van vijf kolencentrales van 600 megawatt per jáár. Vergeet dat dus maar. Zeker in het huidige financiële klimaat.

Niettemin zal Nederland, waarvan het aardgas binnen enkele decennia geheel verbruikt zal zijn, zijn inspanningen op dit terrein moeten intensiveren. Diversificatie van energiebronnen is onontbeerlijk.

De discussie over energie gaat te vaak over óf het een óf het ander. Het is én, én, en bovendien én.