Ik heb een trauma, zegt de patiënt via de tolk

Het kabinet schrapt vanaf 2012 de vergoeding voor het gebruik van tolken in de zorg. Een ingrijpend besluit voor vluchtelingen opgenomen in een kliniek in Wolfheze.

Op blauwe slippers komt de man uit Srebrenica de spreekkamer binnenlopen. Niet groter dan 1,70 is hij, van middelbare leeftijd en gedrongen. Hij schudt de hand van zijn behandelaar, Hanneke Bot. Ze is psychotherapeut op de afdeling Phoenix van de instelling voor geestelijke gezondheidszorg ProPersona in Wolfheze. Phoenix biedt psychiatrische behandelingen aan 32 vluchtelingen en asielzoekers.

De man – om privacyredenen blijft zijn naam achterwege – neemt plaats aan het tafeltje in de hoek van de spreekkamer. Midden op het tafeltje staat een telefoon. Hanneke Bot belt.

„Goedemiddag, u spreekt met tolkendienst TVcN. Wat kan ik voor u doen?”

„Goedemiddag. Ik zou graag een tolk Turks aan de lijn krijgen voor een half uur.”

TVcN – Tolk en Vertaalcentrum Nederland – verricht per jaar 166.000 vertalingen voor gesprekken in de zorg. Het ministerie van VWS vergoedt nu nog de kosten, maar vanaf januari 2012 niet meer, zo werd vorige week bekend. Een bezuiniging van 19 miljoen euro per jaar. Patiënten „zijn zelf verantwoordelijk voor het machtig zijn van de Nederlandse taal”, aldus het ministerie in een brief aan de Tweede Kamer. Als ze het Nederlands niet spreken, kunnen patiënten ervoor kiezen een eigen vertaler mee te nemen. Een familielid, een buurman, een vriend. De patiënt of de zorgverlener kan ook zelf een professionele tolk betalen, aldus de minister. Een gesprek kost gemiddeld 35 tot 40 euro, zegt TVcN.

De verontwaardiging en onrust in de zorgsector is groot. Er is geen geld voor het zelf betalen van professionele tolken, zeggen partijen als GGZ Nederland en beroepsvereniging voor artsen KNMG. Een vriend of familielid laten vertalen ligt bij veel gezondheidsklachten gevoelig. En, zeggen de zorgverleners, zijn wij wettelijk niet verplicht om begrijpelijk te communiceren?

„U gaat maandag naar een nieuwe groep hier op Phoenix. Ik word uw behandelaar”, zegt Hanneke Bot tegen haar patiënt. Ze kijkt hem aan terwijl de tolk haar zin vertaalt. In het Turks: de patiënt uit Srebrenica heeft een Turkse moeder.

Nu neemt de patiënt het woord, in vloeiend Turks. Terwijl hij praat, kijkt hij naar de telefoon.

„Ik heb u leren kennen als mijn moeder”, zegt hij via de tolk.

Hanneke Bot lacht. De twee kennen elkaar: Bot had zijn intakegesprek afgenomen. Sindsdien maken ze regelmatig een praatje.

De patiënt probeert een zin in het Nederlands: „Die behandeling is voor mij... goed. Nooit gehad zo’n leven... in twintig jaar... al die tijd... problemen... nu... ik ben blij. Als kind.”

De man is een moslim uit Srebrenica, zijn vader is Bosnisch. Drie van zijn kinderen kwamen om het leven bij een bombardement. „Buitengewoon dramatisch”, zegt hij via de tolk. „De oorlog was verschrikkelijk. Serviërs controleerden de geslachtsorganen van mannen om te zien of ze besneden waren. Soms sneden ze het geslachtsorgaan van moslimmannen eraf. Vrouwen werden voor de ogen van hun mannen verkracht.”

In 1992 vluchtte de man naar Nederland, een half jaar na aankomst kreeg hij een verblijfsvergunning. Hij werkte een tijd in de plantsoenendienst en dronk zijn trauma’s weg met alcohol. Hij raakte zowel verslaafd als werkloos. Van zijn vrouw is hij gescheiden.

Hier, in Wolfheze, verblijft hij sinds april dit jaar. Eerst op een afdeling waar hij leerde zijn dag weer te structureren. En vanaf maandag dus bij behandelaar Hanneke Bot, in een groep die draait om het trainen van sociale vaardigheden die nodig zijn om weer een leven op te bouwen.

„Denkt u vaak aan uw kinderen?” vraagt Hanneke Bot.

De man buigt zijn bovenlijf richting telefoon. Hij praat in lange zinnen en gebaart met zijn handen.

„Het is moeilijk om de beelden kwijt te raken”, zegt de telefoonstem. „Mijn kinderen zitten voor altijd en eeuwig in mijn hoofd. Ik hoop dat ze nu in de hemel zijn. Vergeten zal ik ze nooit.”

„Dat kan ook niet”, zegt Hanneke Bot. „Het gaat er vooral om dat u door kunt gaan met uw eigen leven.” Ze verzit even. „Heeft u nog contact met uw vrouw?”

„Nee”, klinkt het via de tolk.

„Dat is best verdrietig”, zegt Hanneke Bot. „Ik kan me voorstellen dat je elkaar zou willen ontmoeten, ook al heeft ze nu een andere man?”

Nu praat de patiënt harder en sneller. Hij fronst.

„Ze heeft me laten vallen”, zegt de tolk. „Ik had klachten. Een trauma. Maar als ik afwezig was, belde ze naar de sociale dienst, en liet ze mijn uitkering stopzetten, terwijl we elkaars steun nodig hadden.”

De patiënt zucht diep.

„U heeft het gevoel dat zij u tegenwerkte”, zegt Hanneke Bot.

„Misschien bedroog ze me wel”, zegt de telefoonstem. „Misschien al tijdens ons huwelijk. Ze weet dat ik ziek ben en dat ik hier zit. Maar ze heeft nooit naar me gevraagd. Mijn vrouw is een afgesloten hoofdstuk.”

Het gesprek loopt ten einde. De tolk hangt op, de patiënt verlaat het vertrek, groetend in verlegen Nederlands. „Tot volgende week....maandag”.

Hoe zou Hanneke Bot dit gesprek eigenlijk zonder tolk gevoerd hebben? „Niet”, zegt ze. „Ik begrijp dan zo’n beetje vaag waar het over gaat, maar van echt contact is geen sprake. Dat zie je ook bij de huisarts of psychiater die een patiënt behandelt zonder professionele tolk. Als iemand somber overkomt, schrijven ze al gauw antidepressiva voor. Voor de zekerheid.”