Hooiberg

Rob Biersma bespreekt elke week verdwenen dingen.

Eeuwenlang had ieder melkveebedrijf een hooiberg. Soms lag het hooi binnen in de schuur opgetast of hoog op een hooizolder, maar meestal stond de hooiberg buiten, onder een verhijsbaar dak, geschraagd door palen, op enige afstand van de boerderij.

Dat was niet zonder reden, want een hooiberg was gevaarlijk. Wanneer het hooi iets te vochtig was, kon de berg spontaan in brand vliegen. Dat kwam door hooibroei, het verschijnsel waarbij bacteriën van binnenuit het hooi licht ontvlambare gassen produceerden.

Hooi had een kenmerkende, prikkelende geur – heel anders dan het zoete kuilvoer dat tegenwoordig aan koeien gevoerd wordt. Hooi kwam meestal van schrale hooilanden met veel bloemen en kruiden, een landschapstype dat nu grotendeels verdwenen is.

Graslanden worden nu wel bemest en bestaan uitsluitend uit Engels raaigras, de grassoort die een maximale opbrengst geeft. Heel anders dan voor hooi, dat goed moet drogen, is voor kuilvoer eerder mals gras nodig, liefst ’s avonds gemaaid, zodat het suikergehalte na een dag zonneschijn hoog is. Kuilvoer heeft een veel hogere voedingswaarde dan hooi. Het zit onder zwart landbouwplastic en oude autobanden, of in grote witplastic balen.

Op een hooiberg konden kinderen heerlijk spelen. Het was een beetje gevaarlijk als de hooiberg hoog was, maar ook zacht en verend. Je kon je er helemaal in verstoppen en ongezien de omgeving bespieden. Je kon er zelfs in slapen, zonder dekens – je moest dan wel tegen het gekietel van de hooisprieten kunnen. Een huwbaar meisje kon zich maar beter niet op de hooiberg begeven, dat zou maar praatjes geven.

Al helemaal verdwenen is de hooimijt: kleine hooibergjes op het land, meestal opgetast op een houten staketsel. Hooimijten konden de winter overblijven op het land, maar meestal werden ze geleidelijk binnengehaald. In tegenstelling tot de hooiberg, die altijd iets goedmoedigs had, oogden hooimijten triest, soms zelfs eng: uit je ooghoeken leek het of er iemand achter zo’n mijt verscholen stond.

Met het hooi is ook de hooitijd verdwenen, de korte periode in de nazomer waarin iedereen moest meehelpen, het jaarlijks hoogtepunt van het boerenbestaan. Tegenwoordig maait de boer vijf keer per jaar, meestal in zijn eentje.