Geerts Grote Gelijk

Elke ochtend kijk ik na het opstaan snel op Teletekst. Is Griekenland al bankroet?

Een vergeefse vraag, ik besef het. Nationale staten kunnen niet failliet. Welke rechtbank zou erin slagen de staat Griekenland failliet te verklaren, curatoren te benoemen die zich desnoods met hulp van de politie toegang verschaffen tot de burelen en dan beslissen over de vraag: Maakt Griekenland een ‘doorstart’? Of verkopen we de boedel om de schuldeisers te betalen?

Als Griekenland een onderneming zou zijn, is het antwoord simpel. Financiers gaan alleen verder met een wankelend bedrijf als het, desnoods op termijn, genoeg geld kan verdienen om rente te betalen en uitzicht bestaat op een acceptabel schuldniveau tegenover de inkomsten. Het helpt als er bezittingen zijn (‘tafelzilver’) die verkocht kunnen worden om schulden te verlagen, als verlieslatende activiteiten worden gesaneerd en als de leiding wordt vervangen.

De onderneming Griekenland voldoet niet aan deze voorwaarden. Daarom: geen extra geld, Geert Wilders’ PVV heeft groot gelijk.

Maakt het verschil dat Griekenland geen bedrijf is, maar een nationale staat? Ja, dat maakt de situatie bedreigender voor de schuldeisers, juist omdat geen rechter het faillissement zal uitspreken. De dreiging van bankroet is de laatste stok om onwillige directies, werknemers of aandeelhouders te overtuigen. Een staat staat simpelweg sterker tegenover schuldeisers.

Wie een zakelijke afweging maakt, en het kabinet-Rutte oogt zakelijk gezien zijn ambities en bezuinigingsdoelstellingen, zegt nee tegen extra steun aan Griekenland.

In de actuele koehandel zijn nog twee argumenten om te weigeren. Als Nederland nee zegt, wordt het onderhandelingsproces in de Europese achterkamertjes over de financiering van Griekenland wat meer fluïde. Wie gaat het gat dichten dat bij een Nederlands nee ontstaat? De uitkomst kan best onverwacht zijn.

Het tweede argument is van meer principiële aard. Leen geen geld aan een land/bedrijf dat bezig is zijn rente of aflossingsbetalingen op bestaande schuld te verzaken, tenzij je voor je extra leningen extra harde zekerheden krijgt. Anders ben je het volgende slachtoffer als de begroting straks weer niet sluitend is. Het verzet van de Europese Centrale Bank, een grote schuldeiser van Griekenland, tegen gedeeltelijke dan wel vrijwillige kwijtschelding van schulden is volstrekt begrijpelijk. Het aan de Duitse eenwording ontleende idee van minister De Jager (Financiën) voor een onafhankelijke beheerder van Griekse privatiseringen is de enige manier om extra geld te koppelen aan extra zekerheden.

Nee zeggen heeft uiteraard risico’s. Onderschat de dynamiek en de vernietigingskracht van het financiële kapitalisme niet. Is Griekenland Lehman, de zakenbank die in 2008 niet is gered en katalysator werd van de grote kredietcrisis? Nee, Lehman was groter. Als een Grieks bankroet de banken bedreigt, redt dan de banken.

De ernst van de Europese schuldencrisis komt ook op conto van roekeloos gedrag van bijvoorbeeld Ierland, dat in 2008 eenzijdig de garanties op spaargeld verdubbelde én alle verplichtingen van zijn banken garandeerde. Europa liet het gebeuren. Is het deze keer anders? Europese besluitvorming is een studie in groepsdenken, tunnelvisie en doormodderen. Het is onderhandelen met de nationale geldpers onder tafel en de wetenschap dat faillissement fictie is.

Menno Tamminga