En China koopt de oogsten

Speculatie met voedsel, onderwerp van de huidige G8, is het probleem niet. Door overbevolking, uitdroging en het inpikken van voorraden brengen exploderende prijzen regeringen ten val, voorspelt Lester Brown.

Als de tarweprijs op de wereldmarkt 75 procent stijgt, zoals het afgelopen jaar, betekent dit in de Verenigde Staten dat een brood van 2 dollar nu misschien 2,10 dollar kost. Maar als je in New Delhi woont, maakt zo’n kostenstijging echt iets uit: een verdubbeling van de wereldtarweprijs betekent dan ook echt dat de tarwe die je van de markt mee naar huis neemt om met de hand tot meel voor chapati’s te malen, tweemaal zo duur is. En hetzelfde geldt voor rijst. Als de wereldrijstprijs verdubbelt, gebeurt dat ook met de rijstprijs op de markt in Jakarta. En dus ook met de kosten van de kom rijst op de eettafel van een Indonesisch gezin.

Voor Amerikanen en Europeanen, die minder dan een tiende van hun inkomen in de supermarkt besteden, is de snelle stijging van de voedselprijzen die we dit jaar tot nu toe hebben meegemaakt, wel vervelend maar geen ramp. Maar voor de armste twee miljard mensen op de wereld, die 50 tot 70 procent van hun inkomen aan voedsel besteden, kan die snelle prijsstijging betekenen dat ze van twee maaltijden per dag teruggaan naar één. De mensen die nog net aan de onderste sporten van de mondiale economische ladder hangen, dreigen hun greep helemaal te verliezen. Dit kan bijdragen – en hééft bijgedragen – tot revoluties en opstanden.

De VN-voedselprijsindex heeft in 2011 al zijn eerdere mondiale hoogterecord gebroken; sinds maart was hij acht maanden achter elkaar gestegen. Nu voor dit jaar een oogsttekort wordt voorspeld, en nu in het Midden-Oosten en Afrika regeringen door de torenhoge prijzen wankelen en angstige markten de ene klap na de andere krijgen, is voedsel in hoog tempo de verborgen kracht achter de wereldpolitiek geworden. En dit soort crises zullen steeds gewoner worden.

In veel opzichten is dit een voortzetting van de voedselcrisis van 2007-2008, die niet wegebde doordat de wereld de handen ineensloeg om eens en voor altijd het graantekort op te lossen, maar doordat de crisis de groei van de vraag temperde, terwijl de boeren dankzij het gunstige weer ook nog eens de grootste graanoogst aller tijden produceerden. Historisch piekten de prijzen vrijwel alleen door bijzondere weersomstandigheden – een moessontegenslag in India, een droogte in de voormalige Sovjet-Unie, een hittegolf in de Midwest van de VS. Zulke gebeurtenissen waren ontwrichtend maar zeldzaam. Maar de huidige prijsstijgingen komen helaas voort uit ontwikkelingen die enerzijds de vraag verhogen, maar anderzijds een productieverhoging bemoeilijken: hiertoe behoren een snelle bevolkingsaanwas, temperatuursstijgingen waardoor de gewassen verdorren en irrigatiebronnen die opdrogen. Elke avond zijn er aan de wereldeettafel 219.000 extra monden te voeden.

Nog verontrustender is dat de wereld haar vermogen verliest om het effect van tekorten te verzachten. In antwoord op eerdere prijsstijgingen wisten de Verenigde Staten, ’s werelds grootste graanproducent, de wereld doeltreffend voor een mogelijk onheil te behoeden. Vanaf halverwege de 20e eeuw tot 1995 hadden de Verenigde Staten ofwel graanoverschotten, ofwel braakliggend akkerland dat beplant kon worden om landen in nood te redden. Toen bijvoorbeeld in 1965 de Indiase moesson op een mislukking uitdraaide, stuurde de regering van president Lyndon B. Johnson eenvijfde van de Amerikaanse tarweoogst naar India en hield daarmee met succes een hongersnood op afstand. Dit kunnen we nu niet meer doen; dit stootkussen is weg.

Daarom is de voedselcrisis van 2011 menens en zal ze misschien nog wel meer broodopstanden annex politieke revoluties met zich meebrengen. Stel dat de omwentelingen waar de dictators Zine el-Abidine Ben Ali in Tunesië, Hosni Mubarak in Egypte en Muammar al-Gaddafi in Libië (een land dat 90 procent van zijn graan invoert) tegenaan liepen, niet het einde maar het begin van het verhaal zijn? Bereid u maar voor, van boeren tot ministers van Buitenlandse Zaken, op een nieuw tijdperk waarin de wereldvoedselschaarste steeds meer de wereldpolitiek zal bepalen.

De verdubbeling van de wereldgraanprijzen sinds begin 2007 is hoofdzakelijk veroorzaakt door twee factoren: een versnelling van de vraaggroei en de toenemende moeilijkheid om snel de productie op te voeren. Aan de vraagkant hebben de boeren op het ogenblik te maken met duidelijke bronnen van toenemende druk. De eerste is de bevolkingsgroei. Jaarlijks hebben de boeren van de wereld tachtig miljoen extra monden te voeden, bijna allemaal in de ontwikkelingslanden. De wereldbevolking is sinds 1970 bijna verdubbeld en zal halverwege deze eeuw de negen miljard bereiken. Intussen proberen ook nog eens zo’n drie miljard mensen in de voedselketen op te klimmen door meer vlees, melk en eieren te consumeren. Naarmate in China en elders meer gezinnen tot de middenklasse toetreden, verwachten zij ook beter te eten. Maar naarmate de wereldconsumptie van graanintensieve dierlijke producten groeit, stijgt ook de vraag naar extra maïs en sojabonen die nodig zijn om al dat vee te voeren. (Zo is de graanconsumptie per persoon in de Verenigde Staten bijvoorbeeld viermaal hoger dan in India, waar weinig graan in dierlijke eiwitten wordt omgezet. Tot dusver.)

Tegelijkertijd worden in de Verenigde Staten, die eens als een soort mondiale buffer tegen slechte oogsten elders konden dienen, inmiddels grote hoeveelheden graan in autobrandstof omgezet. In 2010 werd in de VS bijna 400 miljoen ton graan geoogst, waarvan 126 miljoen ton naar biobrandstofdestilleerderijen ging (tegen 16 miljoen ton in 2000). Deze enorme capaciteit om graan in brandstof om te zetten betekent dat de graanprijs nu aan de olieprijs gekoppeld is. Dus als de olieprijs naar 150 dollar per vat of meer gaat, zal de graanprijs mee stijgen omdat het steeds profijtelijker wordt om graan in olievervangers om te zetten. En dat is niet alleen een Amerikaans verschijnsel: Brazilië, dat ethanol uit suikerriet destilleert, is de tweede producent na de Verenigde Staten, terwijl de EU-doelstelling om in 2020 10 procent van de transportenergie te halen uit hernieuwbare energiebronnen, vooral biobrandstoffen, ook landbouwgrond aan de voedselproductie onttrekt.

De omhoogschietende vraag naar voedsel is dus niet het hele verhaal. Van dalende grondwaterspiegels tot bodemerosie en de gevolgen van de aardopwarming – het wil allemaal zeggen dat de wereldvoedselvoorziening vermoedelijk geen gelijke tred zal houden met onze collectief groeiende eetlust. Neem de klimaatverandering: de vuistregel onder oogstecologen is dat de boeren bij elke graad Celsius temperatuurstijging boven de optimale waarde voor het groeiseizoen, op een daling van de graanopbrengst van 10 procent kunnen rekenen. Dit verband werd maar al te schrijnend bevestigd tijdens de hittegolf van 2010 in Rusland, die de graanoogst van het land met bijna 40 procent verlaagde.

Terwijl de temperaturen stijgen, dalen de grondwaterspiegels doordat de boeren overmatig irrigeren. In het dorre Saoedi-Arabië, dat dankzij irrigatie verrassend genoeg meer dan twintig jaar in zijn eigen tarwebehoefte heeft kunnen voorzien, stort de tarweproductie nu in, doordat de niet-aanvulbare aquifer (de ondergrondse waterlaag) die het land voor irrigatie gebruikt, grotendeels is uitgeput. De Saoediërs zullen binnenkort al hun graan importeren.

Al met al woont meer dan de helft van de wereldbevolking in landen waar het grondwaterpeil daalt. Het politiek roerige Arabische Midden-Oosten is het eerste geografische gebied waar de graanproductie over haar hoogtepunt heen is en inmiddels daalt als gevolg van watertekorten, ook al neemt de bevolking nog altijd toe. De graanproductie loopt al terug in Syrië en Irak en zal binnenkort mogelijk ook in Jemen dalen. Maar de grootste food bubbles bevinden zich in India en China. In India, waar de boeren zo’n twintig miljoen irrigatieputten hebben geboord, zakt de grondwaterstand en drogen de putten gaandeweg op. Volgens de Wereldbank worden 175 miljoen Indiërs gevoed met graan dat wordt geproduceerd dankzij overpumping – een bovenmatige aanslag op het grondwater. In China concentreert deze overpumping zich in de Noord-Chinese Vlakte, waar de helft van de Chinese tarwe en eenderde van de maïs wordt geproduceerd. Op dit moment worden naar schatting 130 miljoen Chinezen gevoed dankzij overpumping. Hoe zullen deze landen de onvermijdelijke tekorten opvangen als de aquifers uitgeput zijn?

En terwijl we onze waterbronnen uitputten, beheren we ook nog eens slecht onze bodem en creëren we nieuwe woestijnen. Volgens Wang Tao, een vooraanstaand Chinees woestijndeskundige, verandert in Noord-China jaarlijks ruim 36.000 vierkante kilometer land in woestijn.

We moeten ook nog rekening houden met een belangrijke ongrijpbare factor: de afgelopen halve eeuw of daaromtrent zijn we vooruitgang in de landbouw als vanzelfsprekend gaan beschouwen. Maar na een eeuw te zijn gestegen, is de rijstopbrengst per hectare in Japan al zestien jaar geen gram gestegen. In China zou de opbrengst weleens snel kunnen afvlakken. Deze twee landen zijn alleen al goed voor eenderde van de wereldrijstoogst. Intussen is ook de groei uit de tarweopbrengst in Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland – de drie grootste tarweproducenten van West-Europa.

In dit tijdperk van steeds krapper wordende wereldvoedselvoorraden ontwikkelt het vermogen om voedsel te verbouwen zich snel tot een nieuw geopolitiek machtsmiddel. Landen haasten zich om hun eigen belangen veilig te stellen ten koste van het algemeen belang.

De eerste tekenen dat er problemen op til waren, openbaarden zich in 2007, toen boeren moeite kregen de wereldwijde vraag naar graan bij te benen. De prijzen van graan en sojabonen begonnen te stijgen en waren halverwege 2008 verdrievoudigd. In reactie daarop probeerden veel exportlanden de stijging van de binnenlandse voedselprijzen in de hand te houden door de export aan banden te leggen. Tot deze landen behoorden Rusland en Argentinië, twee toonaangevende tarwe-exporteurs. Vietnam, de op één na grootste rijstexporteur, verbood begin 2008 de export een paar maanden lang helemaal. Dat gold ook voor diverse andere kleinere graanexporteurs.

Toen de exportlanden in 2007 en 2008 de export beperkten, raakten de importlanden in paniek. Omdat ze niet langer in staat waren op de markt te vertrouwen voor de aanvoer van het graan dat ze nodig hadden, zetten diverse landen een nieuwe stap. Ze probeerden met exportlanden lange termijnafspraken over graanleveranties te maken. De Filippijnen sleepten bijvoorbeeld een driejarig contract met Vietnam over de jaarlijkse levering van 1,5 miljoen ton rijst uit het vuur. Een delegatie Jemenieten reisde naar Australië met een soortgelijk doel voor ogen, maar had geen geluk. Op een kopersmarkt waren exporteurs huiverig om langetermijnafspraken te maken.

Bang dat ze misschien niet in staat zouden zijn het benodigde graan op de markt te kopen namen een paar van de rijkere landen, onder leiding van Saoedi-Arabië, Zuid-Korea en China, in 2008 de ongebruikelijke stap om grond in andere landen te kopen of te leasen, zodat ze daar graan voor zichzelf konden verbouwen. Het grootste deel van deze grondtransacties vond en vindt plaats in Afrika, waar sommige regeringen landbouwgrond leasen voor minder dan een halve dollar per hectare per jaar. Tot de belangrijkste bestemmingen behoren Ethiopië en Soedan, landen waar miljoenen mensen in leven worden gehouden met voedsel van het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties. Dat de regeringen van deze twee landen bereid zijn landbouwgrond aan buitenlandse belangen te verkopen, terwijl hun eigen inwoners honger lijden, zegt veel over hun ‘leiderschap’.

Eind 2009 waren honderden van deze grondtransacties overeengekomen, waarvan sommige betrekking hadden op gebieden van zo’n half miljoen hectares. Uit een analyse uit 2010 van dit ‘landjepik’ door de Wereldbank bleek dat het in totaal om bijna 60 miljoen hectares ging – een gebied dat groter is dan de gecombineerde oppervlakte van de landbouwgrond die in de Verenigde Staten wordt benut voor de verbouw van maïs en tarwe. Bij zulke transacties zijn gewoonlijk ook waterrechten in het spel, wat betekent dat ze in potentie ook alle stroomafwaarts gelegen landen treffen. Al het water dat aan de Boven-Nijl wordt onttrokken om gewassen te irrigeren in Ethiopië en Soedan zal nu bijvoorbeeld Egypte niet bereiken, zodat de delicate politieke verhoudingen rond de Nijl nog verder worden gecompliceerd door de toevoeging van nieuwe landen waarmee Egypte zal moeten onderhandelen.

Het potentieel voor conflicten – en niet alleen over water – is groot. Veel van de grondtransacties zijn in het geheim bezegeld, en in de meeste gevallen was de betrokken grond al in gebruik van dorpelingen toen hij werd verkocht of geleased. Vaak werden degenen die het land verbouwden niet eens geraadpleegd of zelfs maar geïnformeerd over de nieuwe afspraken. Plaatselijke vijandigheid tegen dit ‘landjepik’ is de regel. In 2007, toen de voedselprijzen begonnen te stijgen, tekende China een overeenkomst met de Filippijnen over het leasen van 1 miljoen hectares grond voor de verbouw van voedselgewassen die naar China zouden worden verscheept. Toen daar iets over naar buiten kwam, dwong de publieke verontwaardiging – grotendeels afkomstig van de kant van Filippijnse boeren – Manilla om de overeenkomst op te schorten. Madagaskar werd door een soortgelijk oproer getroffen. Daar had een Zuid-Koreaanse firma, Daewoo Logistics, de rechten op zo’n miljoen hectares grond gekocht. De berichtgeving over de transactie bracht een uitbarsting van volkswoede teweeg die de regering ten val bracht en het schrappen van de overeenkomst noodzakelijk maakte. Er zijn weinig zaken die eerder aanleiding geven tot volksopstanden dan het beroven van de mensen van hun grond. Landbouwmachines zijn gevoelig voor sabotage. Als oogstrijpe graanvelden in brand worden gestoken, branden ze snel.

Deze overeenkomsten zijn niet alleen riskant, buitenlandse investeerders die voedsel willen verbouwen in een land vol hongerige mensen worden ook nog eens met de vraag geconfronteerd hoe ze het graan het land uit moeten zien te krijgen. Zullen de dorpelingen vrachtwagens vol met graan, die op weg zijn naar de havens, laten passeren als ze zelf op de drempel van de hongerdood staan? Het potentieel voor politieke instabiliteit in landen waar dorpelingen hun grond en hun levensonderhoud zijn kwijtgeraakt is groot. Er kunnen zich makkelijk conflicten ontwikkelen tussen de investerende landen en de ‘gastlanden’.

Hoezeer zal de wereldvoedselproductie door dit alles toenemen? Dat weten we niet, maar uit onderzoek van de Wereldbank blijkt dat slechts 37 procent van de projecten aan voedselgewassen is gewijd. Het grootste deel van de tot nu toe opgekochte grond zal worden gebruikt voor de productie van biobrandstoffen en andere industriële gewassen. Tot nu toe hebben de grondtransacties meer bijgedragen aan het veroorzaken van politieke onrust dan aan het uitbreiden van de voedselproductie.

Deze groeiende kloof tussen rijke en arme landen kan in rap tempo nóg groter worden. In januari dit jaar tekende zich een nieuwe fase af in de strijd tussen de importlanden van voedsel, toen Zuid-Korea – dat 70 procent van zijn graan importeert – bekendmaakte dat het een nieuwe publiek-private entiteit wilde opzetten die verantwoordelijk zal zijn voor het verwerven van een deel van dit graan. Met een kantoor in Chicago is het plan de grote internationale handelsfirma’s te omzeilen door rechtstreeks graan af te nemen van Amerikaanse boeren. Als de Koreanen hun eigen graansilo’s krijgen, zouden ze heel goed meerjarige contracten kunnen sluiten met boeren over de aankoop van gespecificeerde hoeveelheden tarwe, maïs of sojabonen, tegen een vaste prijs.

Andere importeurs zullen niet werkloos willen toezien hoe Zuid-Korea probeert een deel van de Amerikaanse graanoogst vast te leggen, nog vóórdat die de markt bereikt. De ondernemende Koreanen kunnen spoedig gezelschap krijgen van China, Japan, Saoedi-Arabië en andere leidende importlanden. Hoewel de aandacht van de Zuid-Koreanen in eerste instantie uitgaat naar de Verenigde Staten, met afstand de grootste graanexporteur ter wereld, zouden ze later kunnen overwegen transacties tot stand te brengen met Canada, Australië, Argentinië en andere grote exportlanden. Dit gebeurt precies op het moment dat China op het punt staat de Amerikaanse markt te betreden als een mogelijk grote graanimporteur. Als China’s 1,4 miljard steeds welvarender consumenten met Amerikaanse consumenten gaan concurreren om de Amerikaanse graanoogst kan het weleens afgelopen zijn met het goedkope voedsel, dat door veel Amerikanen wordt beschouwd als een geboorterecht.

Niemand weet waar deze aan hevigheid winnende concurrentie om de wereldvoedselvoorraden heen zal gaan, maar de wereld lijkt afstand te nemen van de internationale samenwerking die zich na de Tweede Wereldoorlog tientallen jaren lang heeft kunnen ontwikkelen. Voortaan lijkt het parool te luiden dat ieder land voor zichzelf moet zorgen. Voedselnationalisme kan individuele rijke landen aan voldoende voedselvoorraden helpen, maar doet weinig om de zekerheid te vergroten dat er voor iedere wereldbewoner voldoende voedsel is. De lage-inkomenslanden die ‘landjepik’ faciliteren of zelf graan moeten importeren, zullen hun situatie waarschijnlijk zien verslechteren.

Na het bloedbad van de wereldoorlogen en de economische misstappen die tot de Grote Depressie leidden, sloten landen zich in 1945 aaneen. Ze stichtten de Verenigde Naties. Ze realiseerden zich dat we in de moderne wereld niet in een isolement kunnen leven, hoe verlokkelijk dat ook mag zijn. Het Internationale Monetaire Fonds werd opgericht om het monetaire stelsel te helpen beheren en economische stabiliteit en vooruitgang te bevorderen. Binnen het VN-systeem spelen gespecialiseerde instellingen als de Wereldgezondheidsorganisatie WHO en de Voedsel- en Landbouworganisatie FAO een belangrijke rol. Dit alles heeft de internationale samenwerking bevorderd.

Maar hoewel de FAO mondiale landbouwgegevens verzamelt en analyseert, en technische hulp biedt, is er geen sprake van een georganiseerde poging om de toereikendheid van de mondiale voedselvoorraden te verzekeren. De meeste internationale onderhandelingen over de agrarische handel richtten zich tot voor kort op de toegang tot de markten, waarbij de Verenigde Staten, Canada, Australië en Argentinië Europa en Japan voortdurend onder druk hebben gezet om hun zeer beschermde landbouwmarkten te openen. Maar in de eerste tien jaar van deze eeuw is de toegang tot de voedselvoorraden naar voren gekomen als de allerbelangrijkste kwestie, nu de wereld overgaat van een tijdperk van voedseloverschotten naar een nieuwe situatie van voedselschaarste.

Tegelijkertijd is het Amerikaanse voedselhulpprogramma, dat ooit bedoeld was om hongersnood af te wenden waar die ook maar dreigde, grotendeels vervangen door het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties (WFP), waarvan de Verenigde Staten de voornaamste donor zijn. De WFP is actief in zo’n zeventig landen en heeft een jaarbegroting van 4 miljard dollar. Verder is er weinig internationale coördinatie. De Franse president Nicolas Sarkozy – de huidige voorzitter van de G20 – stelt voor de stijgende voedselprijzen aan te pakken door de speculatie op de grondstoffenmarkten aan banden te leggen. Hoe nuttig dit ook mag zijn, het richt zich louter op symptoombestrijding en niet op de oorzaken, zoals bevolkingsgroei en klimaatverandering. De wereld moet zich nu niet alleen met het landbouwbeleid bezighouden, maar ook met het bouwen van een structuur die dit beleid integreert met het energie-, bevolkings- en waterbeleid, die allemaal rechtstreeks van invloed zijn op de voedselvoorziening. In plaats daarvan zijn het inpikken van land en water en het direct graan kopen van boeren in exportlanden zijn nu integraal deel van de wereldwijde machtsstrijd om voedselveiligheid.

Lester Brown (73) is landbouwspecialist, milieuactivist en voorzitter van het Earth Policy Institute in Washington. Gedurende zijn middelbare schooltijd werd hij de grootste tomatenkweker in New Jersey. Als ambtenaar voor het Amerikaanse ministerie van Landbouw zette hij in de jaren zestig een organisatie op voor landbouwtechnische ontwikkelingshulp. Hij schreef veel boeken over de wereldvoedselsituatie. Dit is een ingekorte versie van zijn stuk in het kwartaalblad Foreign Policy. De volledige versie is te lezen op foreignpolicy.com