De zeven werken van barmhartigheid

Er was eens een fundraising company met zeven vestigingen in Europa. De directeur van het bedrijf, werkzaam voor grote liefdadige doelen als Greenpeace en het Rode Kruis, ziet symboliek, die hij verzilvert met een opdracht voor de Nederlandse schilder Frans Franciscus: in 2007 komen ze overeen dat hij de Zeven Werken van Barmhartigheid zal schilderen. Zeven schilderijen, één voor elk kantoor. Franciscus vertelt hoe hij noch de directeur de zeven barmhartigheidswerken (ontleend aan een quote van Christus in Mattheus 25: 35-36) wist op te dreunen. „Ja, de naakten kleden, die weet je. En de dorstigen laven en zo, die ook. Maar de gevangenen bezoeken, daar kwamen we niet op.”

Frans Franciscus gaat aan het werk. De directeur had het goed gezien. Als er iemand geschikt is voor deze opdracht dan hij. Franciscus is bekend om zijn eigentijdse ‘vertaling’ van de middeleeuwse Europese schilders, van hun bijbelse taferelen en thema’s, en ook van hun portretten: zogenaamd onthecht, schijnbaar stijfjes. Maar kijk nog een keer en je ziet de gezichten laaien van leven en het landschap erachter golven van hetzelfde.

„Na vijf kwartalen” heeft de schilder alle werken „opgezet”, op „de naakten kleden” na. Een zwarte goochelaar komt de gevangenen bezoeken. Een Mariafiguur herbergt vreemdelingen op een dansvloer onder haar mantel: een homostel, een lesbisch paar, een blonde vrouw met een zwarte man. In een zuigend winterlandschap is een swingende Roodkapje op pad om de dorstigen te laven met de champagne in haar mandje. Emmaüsgangers voeden. Een smartelijke man tekent een hart in de aarde, voor de mens die hij erin begroef.

Franciscus verbindt de typerende blanco vroomheid van de middeleeuwer met de even typerende levenshouding van nu: kijk naar mij, kijk naar mijn lichaam; see me, feel me, touch me, want ik kom met een hart vol erbarmen – op elk schilderij valt een hart te vinden; als tatoeage; als gesp; als het plasje water in een hand. Hartstikke mooi.

En toen kwam de crisis.

De fundraising company (Franciscus vindt het niet aardig om te zeggen welke) zegde de opdracht af. Het geld was op. Zo gaat dat, voor de kunsten. De private gelden die volgens het kabinet voor kunstenaars voor het grijpen liggen, zijn wankel. Zo heb je een sponsor, zo heb je niks.

Gooit de kunstenaar het bijltje erbij neer? Nee. Hij sjachert en komt boven. Moet wel. Zijn werk is geen baan, zijn werk is zijn leven.

Er was ook een voordeel, zegt Frans Franciscus. Nu kon hij zijn gang kon gaan voor ‘De naakten kleden’ „zonder dat ik rekening hoefde te houden met aanstoot nemende secretaresses of zo”. Het werden twee naakte mannen in een rivier met schuimkopjes. Johannes doopt Jezus, bekleedt hem met liefde. „Je ziet de witte afdruk van hun zwembroeken, dat maakt hun naakt nog naakter.”

Dat schilderij hangt dezer dagen in de Sint Jan van het Friese Deinum. Ik vergaap me, de mevrouw naast mij ook. „Ik ga dit even rond twitteren”, zegt ze. „Hiervoor moeten alle vrouwen zondag naar de kerk!” Alle homomannen ook, dunkt me. En alle heteromannen, want mooi is mooi.

De andere zes Werken hangen in de naburige kerkjes, van Boksum, Oosterlittens, Baard, Winsum, Blessum en Leons. Een lokaal predikantenechtpaar regelde het. Het café van Oosterlittens droeg bij, verder lieten de bedrijven en welgestelden uit de regio het afweten. Subsidie kwam waar het altijd vandaan komt, van de gemeentes, de provincie, de kerk en twee culturele fondsen. Honderden bezoekers fietsen, autoën of wandelen van dorp naar dorp voor de schilderijen, elk omlijst door een kerkje, elk bestreken door het licht uit de Friese hemel.

Joyce roodnat