De vliegenvanger als wapen

Anthony van Leeuwenhoek, uitvinder van de microscoop, ontdekte het bestaan van God in de anatomie van een luis. Ik kan het me voorstellen. Wel ben ik opgevoed als ongelovige en dat ben ik tot op de dag van vandaag gebleven. Ik hoor ook niet tot de pseudokerk van het ietsisme, indertijd door Ronald Plasterk beschreven toen hij een column in de Volkskrant had. Er moet iets zijn, zeggen de ietsisten, het oerbegin dat ten grondslag ligt aan alles, van het eindeloze heelal tot de kleinste bacterie. Als het geen opperwezen is, dan is het de oerknal of beide. De oerknal heeft het opperwezen veroorzaakt, of andersom. In ieder geval iets. Ik had er wel bij willen zijn toen het gebeurde. Zo heb ik nog meer wensen die nooit vervuld zullen worden. Anders gezegd: het heeft geen zin je in zulke vraagstukken te verdiepen. Wees blij dat je even aan het eindeloze drama van het wereldraadsel kunt deelnemen en vooral ook ernaar kijken, zolang het duurt.

Dit stukje schrijf ik in een subtropisch tuintje waar de natuur heel anders is dan op een Amsterdams achterbalkon. Spinnen en muggen zijn overal, daar kom ik straks op terug, maar nu eerst de pissebedden. Wie heeft deze beledigende naam bedacht? Ze horen tot de onverstoorbaarste diersoorten die ik ken. Het zijn geen insecten want die hebben allemaal zes poten. De pissebed heeft er zestien, op z’n minst. Ik heb ze nooit geteld, want dan moet je zo’n beestje op zijn rug leggen, die pootjes zijn heel klein en hij blijft lopen. Dat maakt het allemaal veel te moeilijk en ik heb geen wetenschappelijke ambities. Het gaat me om de aanblik, meer niet.

’s Ochtends vroeg komen ze tevoorschijn, bij tientallen, die kleine grijze wezens met hun ronde rug. Ik denk dat ze gaan ontbijten. In tegenstelling tot mieren, torren, vliegen hebben ze een ordelijk traject. Een paar meter wel kunnen ze rechtdoor lopen. Als je niet beter wist zou je kunnen denken dat ze rijden. Ze doen me in de verte aan een tram denken. En dan gebeurt het. Twee pissebedden lopen langs een muurtje elkaar tegemoet. Wat zal daar gaan gebeuren? Hoe ver kunnen ze vooruit kijken? Zal er een hartelijke kennismaking volgen? Een botsing? Een gevecht? Nee. Zonder zelfs een spoor van betasting loopt de ene over de andere heen en ze vervolgen hun voedzame reis.

Dan komt pissebed A een kleine mier tegen. Stel je dat even voor. Je bent die mier, je rent een beetje rond op straat en dan zie je plotseling een wezen van zeker tien keer je eigen volume, verhoudingsgewijs een soort olifant. Wat doe je? Mier rent pissebed tegemoet, friemelt er een beetje aan en vervolgt zigzaggend zijn weg. De pissebed heeft niets gemerkt of doet alsof. Dat is goed afgelopen.

Bewondering heb ik voor de vliegen. Ze kunnen praktisch verticaal opstijgen, schieten razendsnel zigzag door de lucht, kunnen ook hard lopen en zijn altijd op hun hoede omdat ze dankzij hun facetogen bijna ieder gevaar bijtijds zien. Als een vliegtuigfabriek erin slaagde een machine te maken die tot ook maar de helft in staat was van wat een vlieg kan doen, was de oorlog al bijna gewonnen. Maar de vlieg heeft het nadeel dat hij tot de ‘schadelijke insecten’ hoort. Hij brengt bacteriën over, verspreidt dus ziekten, legt eitjes waaruit onsmakelijke maden komen. Door dit alles heeft de mens zichzelf de vergunning verleent, hem dood te maken.

Het wreedaardigste wapen waarmee dit kan gebeuren is de vliegenvanger. Die zie je gelukkig niet veel meer. Een vliegenvanger is een rol kleverig papier die tot een spiraal kan worden uitgetrokken. Je bevestigt het ding aan het plafond of aan de lamp in de huiskamer. Voor de vlieg ruikt het kleefspul lekker. Hij gaat erop zitten en kan er niet meer af. Hij worstelt, raakt verder met zijn poten vast, worstelt verder waardoor nu ook een vleugel blijft kleven. Langzaam sterft hij de marteldood.

Als kind heb ik wel geprobeerd een vlieg van de vanger te bevrijden. Nooit gelukt. Dat de vliegenvanger nu vrijwel is verdwenen komt waarschijnlijk doordat we betere methoden hebben om van dit ‘ongedierte’ af te komen. Ik zet dat woord tussen aanhalingstekens omdat ik vind dat er een misplaatste hiërarchie uit spreekt. Tegen de vlieg is alles geoorloofd. Nu hebben we gifpoeder, verstikkende nevel uit een spuitbus. Ik weet wel dat deze stelling niet houdbaar is, maar eigenlijk vind ik dat de mens alleen het recht zou mogen hebben een ander wezen te doden als hij zelf in staat was, een nieuw te maken. Probeer eerst zelf eens een vlieg te bouwen.

Terwijl ik naar het va-et-vient van de pissebedden zat te kijken, kwam er om het hoekje opeens een kleine duizendpoot aanlopen. Die lijkt meer op een treintje, gaat met de voorste helft van zijn lichaam de bocht om terwijl het achterste deel nog op het vorige traject loopt. In dit tuintje valt veel te beleven. Een volgende keer mijn avontuur met een sprinkhaan.