De overheid: dat zijn wij

Opeens merkte ik dat de klok van het Rijksmuseum weer op de goede tijd stond. Ik stond te wachten bij het stoplicht op de Hobbemakade, ik keek naar de torens die zo mooi tegen de blauwe lucht kunnen afsteken, en toen hoorde ik de klok slaan. Vol verbazing keek ik op mijn horloge: het klopte. Tot mijn intense tevredenheid bleken de bewegende mannetjes ook weer ingeschakeld te zijn en lustig met de hamer op de klok te slaan. Hier is sprake van hogere publiekskunde. Natuurlijk had directeur Pijbes kunnen denken: die klok, die zetten we pas gelijk als het gebouw geopend wordt. Maar nee, vond hij of een van zijn ambtenaren: die klok zetten we nu al gelijk, want dan weten de mensen dat er hoop gloort. Ook al zal het hoogstwaarschijnlijk koning Willem IV worden voordat het gebouw aan opening toe is, toch slaat de klok.

Het Rijksmuseum is gebouwd met overheidsgeld. Dat was echt niet zo gewoon in de negentiende eeuw. We vergeten maar al te vaak dat overheidsbemoeienis met de cultuur een moeizaam bevochten goed is. Onze voorouders hebben met een ijzeren uithoudingsvermogen gevochten om de overheid een taak hierin toe te bedelen.

Laten we eens naar de basis gaan. Helemaal naar een primitief begin. Wanneer heeft een kleine leefgemeenschap in de bossen van de oertijd een overheid nodig? Normaal regelt het leven zichzelf daar. Je zoekt samen naar een waterput, je bouwt je eigen hut, je jaagt samen een dier op en verdeelt het vlees. Maar zodra er een botsing komt van individuele met collectieve belangen, of wanneer er iets bereikt moet worden dat individuen alleen niet voor elkaar krijgen, dan ontstaat er behoefte aan een overstijgend orgaan. De gemeenschap spreekt met elkaar af dat er iemand is die boven de partijen staat. De gemeenschap geeft die man opdrachten. Zorg dat de hut van Adelbert verplaatst wordt, want juist daar moet een weg voor iedereen komen. Organiseer dat we samen een omheining om onze leefgemeenschap plaatsen, want dan zijn we beter beschermd tegen aanvallen. Zo begint het.

Wat men zich in het klein kan voorstellen, dat geldt ook voor het grote. Wij zijn het nog steeds zelf die met elkaar afgesproken hebben dat er een overheid is die het individuele tegen het collectieve afweegt, en die dat wat een individu in zijn eentje niet voor elkaar krijgt, gezamenlijk oplost. Zelf hebben we de overheid opdracht gegeven om wegen aan te leggen en te onderhouden, waterleidingen, lantaarns. De overheid: dat zijn wij. Sinds Edward Said is het gebruikelijk geworden van ‘othering’ te spreken als een groep negatief neergezet wordt en uitgesloten van de eigen groep; ik zie tot mijn ergernis dat de overheid steeds meer als ‘de ander’ beschouwd wordt. Het woord ‘ze’ is een synoniem geworden voor ‘de overheid’: ze doen hier niets aan, ze zouden eens moeten optreden.

Geleidelijk aan zijn de taken die we de overheid laten regelen uitgebreider geworden. Was onderwijs vroeger een privézaak, sinds de Franse tijd werd dat van kleuterschool tot universiteit naar de overheid toe getrokken. De gezondheidszorg begon met koepokinentingen en inspectie van syfilis bij prostituees, en tegenwoordig kan men zelfs voor het aantrekken van steunkousen een beroep doen op overheidszorg. Terecht? Ja, wij hebben dat zo met zijn allen gewild.

Met die verschuiving van taken naar de overheid gaat ook een belastingsysteem gepaard. Ook dat hebben we samen afgesproken. Iemand die voor zijn leven invalide is geworden, moet geholpen worden door mensen die dat niet is overkomen.

In de loop van de negentiende eeuw kwam er ook de behoefte van de gemeenschap op om cultuur binnen de overheidstaken te trekken. Het begon met cultuurbehoud en cultuurparticipatie. Lang voor de oprichting van het Rijksmuseum waren er al initiatieven voor het oprichten van een nationaal museum, waarin de kunstschatten die eigenlijk aan de gemeenschap toebehoorden, ook aan de gemeenschap getoond werden. Want laten we dat ook even duidelijk stellen: de kunst, die is van ons. ‘De Nachtwacht’: we zijn allemaal eigenaar. Dus is het ook normaal dat we ons verantwoordelijk daarvoor voelen, en onze verantwoordelijkheid daarvoor overdragen aan de overheid.

Op die manier is ook monumentenzorg naar de overheid gegaan. Er is een uitbreiding gekomen naar immaterieel cultuurgoed: toneel, muziek. Maar ook sport, evenementen. We vinden het belangrijk dat we een concert kunnen bezoeken, wij allemaal, en dat we met zijn allen wat belastinggeld afdragen zodat het kaartje enigszins betaalbaar blijft. We vinden het ook belangrijk dat er met overheidsgeld niet alleen concertzalen gebouwd worden voor André Rieu, maar ook voor Theo Loevendie.

Moeten we dat wat onze voorvaderen bevochten hebben nu allemaal weer inleveren? Terug naar een primitieve overheid die alleen voor wegen en water zorgt? Ik draag mijn belastinggeld graag af voor de klok van het Rijksmuseum. En op Paleis ’t Loo mogen wat mij betreft de klokken ook weer gaan slaan. Ik sponsor de overheid.