De draad kwijt

Staan mobiele telefoons wezenlijk contact in de weg? De smartphone in historisch perspectief. ‘De samenleving gaat aan bellen te gronde. Al 130 jaar.’

„Hoe zag een telefoon eruit vroeger?”

„Wanneer vroeger?”

„Toen jij klein was.”

„Ach, gut, ja – wij hadden een soort van zwarte koektrommel, die in de gang naast de voordeur aan de muur was vastgeschroefd. Aan de voorkant zat een schijfje met tien gaten, waarin de nummers 1 tot en met 0 stonden. Je draaide toen nog telefoonnummers. Aan die trommel zat een krullend snoer, dat het telefoontoestel verbond met de hoorn: iets wat lijkt op een hondenkluif, waarbij je de ene knobbel aan je oor hield en de andere bij je mond.”

Is het al zo ver voor zo’n gesprek? Bijna wel. Geef een zesjarig kind een grammofoonplaat en het zal onmogelijk kunnen bedenken dat zo’n zwarte pannenkoek ooit muziek maakte. Zo groeit een nieuwe generatie op die het onderscheid niet kent tussen mobiele telefoons en ‘vaste toestellen’. Sterker nog: het woord telefoon begint al even oubollig te klinken als automobiel of vliegmachine.

Nieuwe techniek maakt oude reflexen los. Nostalgie. Maar ook: diepe zorgen over de toekomst van de menselijke soort. Die mobiele telefoons – kwalijk gedrag maken ze los! Keihard de intiemste gesprekken voeren in een mudvolle treincoupé. Irritante ringtones in de concertzaal. Oppervlakkige contacten via chatware, sms en apps, met als gevolg: vervlakking van sociaal contact en toenemende eenzaamheid. Weg goede gesprekken, hechte vriendschappen en wezenlijke aandacht voor de medemens.

Telecom wordt solocom – zou het? Tijd voor een steekproef, in het Haagse Museum voor Communicatie, dat ooit Postmuseum heette en later PTT Museum. Diepe stilte heerst er op een willekeurige vrijdagmiddag, totdat een groep van bijna dertig 15- en 16-jarigen binnenstormt. Het zijn leerlingen uit 4-havo van het Van Lodenstein College, scholengemeenschap op reformatorische grondslag in Kesteren (bij Tiel). Ze zijn een dag in de Randstad voor museum- en concertbezoek. Nee, niet zomaar op schoolreis. Les krijgen ze, met opdrachten en cijfers, voor het vak Culturele en Kunstzinnige Vorming (CKV).

Grace Kelly

Cultuur, kunst en communicatie: drie nogal brede, abstracte begrippen – maar ze komen in Den Haag slim tot leven in de tentoonstelling Star/Ring. De geschiedenis van de telefoon is er verweven met scènes uit speelfilms. We zien: Grace Kelly met aan haar oor een zwarte telefoonhoorn van bakeliet (het eerste plastic). Achter haar wacht huurmoordenaar Anthony Dawson zijn kans af. In: de thriller Dial M for Murder van Alfred Hitchcock (1954). In de film Simon van Eddy Terstall (2004) speelt een van de eerste autotelefoons, uit 1986 (de ‘Carvox 2453’), een rolletje. Wat halverwege de jaren tachtig nog gold als summum van moderniteit kan dertig jaar later worden opgeborgen bij de veldtelefoons uit WO I. James Bond krijgt in 1997, in de film Tomorrow never dies een multitask-telefoontje van uitvinder Q dat verbluffend veel lijkt op een moderne smartphone.

Onder leiding van twee museumdocenten maken de Betuwse leerlingen zelf mini-speelfilmpjes, waarin de telefoon zorgt voor spanning en plot. Ze werken in groepjes van vier à vijf. Elk filmpje krijgt een thema: liefde, privacy, bedreiging of misverstand. Uitbundig en in straf tempo werken ze zich door het draaiboek heen: verhaallijn verzinnen, ‘storyboard’ tekenen, rollen verdelen, acteren, opnames maken met kleine HD-camera’s, monteren en elkaar het resultaat tonen.

Binnen anderhalf uur is het allemaal gepiept. Tussendoor hebben ze dan ook nog vragen beantwoord van een zogenaamd kritische verslaggever die werkt voor een ouderwets medium (krant). Hebben ze een mobiel? Ja, natuurlijk hebben ze die, allemaal. Wat doen ze ermee? „Sms’en.” Ook bellen? Jongens: „Nee, niet zoveel, we zien elkaar toch al de hele dag op school of bij de voetbal.” Meisjes: „Ja, veel bellen, dat ook.” Is dat niet duur? „Duur? Nee, niet meer, we hebben Blyk, van Vodaphone, speciaal voor jongeren tussen de 13 en 29 jaar. Daar krijg je duizend sms’jes en duizend belminuten per maand voor 10 euro.”

Tweemaal duizend: genoeg om maandelijks 16.000 woorden (150 keer de lengte van deze tekst) aan elkaar te schrijven en ruim zestien uur met elkaar te bellen. Maken ze dat quotum iedere maand op? „Nee, daar hebben we wel genoeg aan.”

Breien

De verslaggever staakt zijn vragen – voelt zich als een vader uit de 19de eeuw die vindt dat zijn dochters minder moeten lezen en meer breien. Of zou er werkelijk reden voor bezorgdheid zijn over een nieuwe generatie die ‘24/7 connected is dankzij 3G op de gsm’?

Een Amerikaanse onderzoeker, Sherry Turkle, hoogleraar aan het prestigieuze MIT in Boston, schreef er een spraakmakend boek over, Alone together (2010). Haar grote zorg: sociale verbanden verkruimelen, doordat ieder mens werkelijk alles met iedereen en overal kan delen – weg privacy, weg intimiteit, weg gemeenschapszin.

Verwarrend. De kwestie voelt als een zeurend pijntje waarnaar de dokter toch eens moet kijken. Het is een vraag voor Janneke Hermans (37), conservator telecom in het Museum voor Communicatie. Het museum toont op speelse wijze hoe de telefoon Nederland heeft veroverd sinds 1881. Valt er ook iets te zeggen over gedragsverandering door de komst van telefoontoestellen in elk huis (vanaf de jaren vijftig en zestig), de autotelefoon (omstreeks 1985), mobiele telefoons (omstreeks 1995) en ‘smartphones’ (2010)?

Janneke Hermans zoekt in haar werkkamer, vol archiefmappen en boeken, maar ze kan weinig vinden. Ja, wel dit citaat, uit een Kamerdebat in maart 1929. Aan de orde was: de behandeling van de PTT-begroting. Strijdpunt: moet er, naast het vaste abonnement, ook een tarief voor ‘belminuten’ worden ingevoerd? Nee, zeggen ondernemers die vrezen voor een hogere telefoonrekening. Ja, zegt een conservatief Kamerlid: „Er zijn dames die de onhebbelijke gewoonte hebben om kwartieren lang te telefoneren. Het zijn trouwens niet alleen dames die dat doen, maar allen die over veel tijd beschikken.”

Het leert, zegt Hermans, dat nieuwe technische vindingen altijd argwaan wekken. Wie politiek bedrijft of beleid maakt, voelt dan al snel de aandrang zogenaamd ongewenst gedrag te bestraffen.

Hermans opent het depot van het communicatiemuseum, waar 1.200 toestellen uit 130 jaar telefoongeschiedenis worden bewaard. „In de eerste helft van z’n bestaan was de telefoon helemaal geen sociaal medium”, vertelt Hermans. „Het was bedoeld als alarmapparaat en boodschappendienst.”

Het verklaart waarom telefoons tot in de jaren zeventig overwegend in de gang hingen. „Dag slager, deze week een kilo bieflappen en zes saucijsjes graag.” Deftige mensen belden aanvankelijk helemaal niet, daar had men personeel voor. Wie wel een telefoon in een woonvertrek had, moffelde dat weg, zoals duidelijk valt te zien aan een toestel van omstreeks 1890 dat oogt als een schilderijtje, met de hoorn verstopt aan de achterkant.

Zomaar kletsen via een telefoon – tot in de jaren zeventig gold het als ongewenst maatschappelijk gedrag. Ongeveer even kwalijk als nu op feestjes wordt gesproken over mensen die luidkeels bellen in de trein en jongeren die de hele dag zitten te sms’en en msn’en. De samenleving gaat eraan te gronde. Al 130 jaar.