Dag, gierzwaluw

Biologie De gierzwaluw vliegt negen maanden per jaar, zonder landen. Hij wordt steeds populairder, maar het aantal neemt snel af.

Karel Knip

Veel is er ontroerend aan gierzwaluwen, maar het aangrijpendst is misschien wel het moment waarop de dieren aan het eind van het seizoen de stad weer verlaten. Als bij afspraak verenigen zich op een late juli-avond alle vogels uit alle kolonies. Hoog aan de hemel vormen ze een reusachtige groep waarbinnen ze zo te zien doelloos rondvliegen. Het bekende gegier heeft plaats gemaakt voor een ander geluid met een andere betekenis. Langzaam wordt het donker en vervagen hun contouren. De dag erna is de hemel stil en leeg.

Of deze ‘verzamelvluchten’ nog lang te zien zullen zijn is de vraag. De vermaarde populatie gierzwaluwen van Amsterdam loopt in een beangstigend tempo terug. Veertig jaar geleden waren de zomeravonden nog vervuld van het karakteristieke gekrijs, tegenwoordig kun je zelfs op warme dagen de stad doorfietsen zonder één stel van deze vogels te zien. De populatie is gehalveerd of misschien wel gedecimeerd.

Betrouwbare gegevens zijn er niet, zegt Evert Pellenkoft, want het tellen van gierzwaluwen is lastig. “De vogels zijn zo mobiel en hebben zulk onvoorspelbaar gedrag dat je niet zomaar op een avond wat tellingen doet. Je zult op vaste tijden vaste transecten moeten langsgaan, en dan nog kan het weer alles verstoren. We experimenteren sinds kort met tellingen van vaste tijdsduur vanaf vaste punten. Ikzelf houd voor het noordelijk deel van de Jordaan bij welke nesten in gebruik zijn en welke niet meer. In de loop van de jaren is dat dramatisch afgenomen.”

Pellenkoft was door de Gierzwaluwwerkgroep Amsterdam aangewezen als hun voornaamste woordvoerder over de biologie van de zwaluw. Als Pellenkoft het niet wist, wist niemand het. Hij bestudeert de zwaluwen al vanaf de jaren zestig en steekt veel energie in de bescherming van de soort. Bepleit vurig het behoud van oude nestgelegenheid bij renovaties en de aanleg van nieuwe nestgelegenheid bij nieuwbouw.

Veel helpt het niet, moet hij toegeven. Of liever gezegd: het helpt teleurstellend weinig. De nestkasten, neststenen en speciale dakpannen die oude nestgelegenheid moeten vervangen worden bijna niet in gebruik genomen. De vogels vinden de nieuwe mogelijkheden niet of ze vertrouwen ze niet. De gierzwaluw is een primitieve vogel die moeilijk nieuwe dingen leert. Ook is hij, denkt Pellenkoft, van huis uit claustrofobisch: hij moet diepe angsten overwinnen om een kast binnen te kruipen.

Het is een droevige ontwikkeling. De gierzwaluw is, gezien de vele gierzwaluwwerkgroepen en de overvloed aan foto’s op internet, populairder dan ooit. Het aantal wetenschappelijke publicaties over de mysterieuze vogel neemt jaarlijks toe. Maar het lukt bijna niet architecten en aannemers te bewegen oude nestgelegenheid intact te laten. Onder hen leeft een vreemde vrees voor het binnenwaaien van sneeuw of het aantrekken van ongedierte. Het dak moet dicht. Pannen worden vervangen door goedkope asfalt shingles waartussen geen kiertje wijkt.

Het systematisch onderzoek aan de gierzwaluw, wetenschappelijk aangeduid met Apus apus, is nog geen zestig jaar oud. De bekendste pionier is de Britse evolutiebioloog David Lack die de gierzwaluwen van Oxford bestudeerde. Zijn boek Swifts in a tower (1956) is een collectors’ item. In Duitsland is Erich Kaiser, die een hele kolonie in zijn huis in Kronberg onderdak biedt, bekend geworden. In Berlijn zit ingenieur Klaus Roggel. In Zwitserland had je Emil Weitnauer die zijn ervaringen in 1980 publiceerde: Mein Vogel. Amateurs spelen nog steeds een grote rol is in het onderzoek. Links en rechts worden webcams in nestkasten geplaatst.

De hoofdlijnen van de biologie zijn nu ook wel bekend. Gierzwaluwen worden gemiddeld zo’n 8 jaar oud, maar er zijn zwaluwen gevonden van wel 30 jaar. Ze leven in Afrika, ten zuiden van de Sahara, zonder vaste verblijfplaats. Ze trekken mee met passerende weersystemen om zo steeds in een gunstig weertype te verkeren. Ongeveer drie maanden per jaar brengen ze in het noorden door: de honderddagenvogel. De Nederlandse gierzwaluwen arriveren eind april en verlaten het land weer in de eerste dagen van augustus. De geslachtsrijpe vogels komen het eerst, later arriveren ook de niet-broeders. De populatie gierzwaluwen in Nederland bestaat voor wel 55 procent uit niet-broeders. Geslachtsrijp is een gierzwaluw vermoedelijk pas vanaf zijn derde.

Gierzwaluwen proberen jaar-in-jaar-uit hetzelfde nest te gebruiken. Voor zover ze geen bestaand nest van een mus of spreeuw wisten te veroveren, maken de vogels zelf een eenvoudig nest van spulletjes die ze in de lucht tegenkomen: strootjes, veertjes, iepenzaadjes, soms zelfs bioscoopkaartjes. Het wordt met speeksel aan elkaar geplakt en elk jaar uitgebreid. Het legsel bestaat uit twee, soms drie, zelden vier eieren. Het broeden duurt drie weken, het verzorgen van de jongen 40 dagen. Beide ouders nemen deel aan de verzorging, het vrouwtje net iets meer dan het mannetje. Overigens lijken die twee zo sterk op elkaar dat ze alleen aan het geluid te onderscheiden schijn.

Het foerageren gebeurt overdag, vaak op grote afstand van het nest. Ouders met jongen verzamelen per jachtvlucht zo’n 300 insecten in een voedselbal in hun keel. (Er is geen krop.) De – levende – insecten worden met speeksel aan elkaar gekit. Het voedsel bestaat uit luizen, vliegjes, spinnetjes, zweefvliegen, vliegende mieren, darren, enzovoort. Wespen en bijenwerksters worden vermeden. Dat kan ook, want de gierzwaluw kijkt naar zijn prooi voor hij toehapt, hij is geen baleinwalvis.

In de veertig dagen die ze hebben groeien de jongen uit tot vetzakjes van 50 gram. Dat loop terug naar 40 als ze in de laatste dagen van hun nestverblijf ritmische push-ups doen om hun vliegspieren te oefenen. Op een late avond eind juli vliegen ze uit – zonder terug te keren. De eerste nacht buiten het nest brengen ze hoog in de lucht door, kort erop vliegen ze naar Afrika.

Niet onvermeld mag blijven dat gierzwaluwen, zowel de jongen als de volwassenen, zwaar geteisterd worden door uitwendige parasieten: ectoparasieten. Berucht is de, naar verhouding, reusachtige luisvlieg Crataerina pallida.

Zo komen we terug op de centrale vraag: is het wel zeker dat het de ontbrekende nestgelegenheid is die de stedelijke gierzwaluwen bedreigt? Evert Pellenkoft heeft het geduld om alle alternatieven langs te lopen, maar zal uiteindelijk toch weer precies daarop uitkomen. Gierzwaluwen hebben tegenwoordig niet meer last van ectoparasieten dan vroeger. Eigenlijk hebben alle vogels last van parasieten, zoals bijvoorbeeld veerluis, maar bijna nooit zijn die parasieten catastrofaal. Dat zou ook niet in het belang van de parasiet zijn.

Het voedselaanbod dan? Het voedselaanbod van de Amsterdamse gierzwaluwen is zeker afgenomen, zoals het bijna overal afneemt. De rietvelden van het westelijk havengebied zijn weggevallen, maar Waterland is er nog, en wat verderop de duinen. En gierzwaluwen zijn bereid grote afstanden af te leggen om aan voedsel te komen. Hoe de situatie in Afrika is, is onduidelijk. De landbouw wordt daar grootschaliger en efficiënter en er zouden nog grote partijen gevaarlijke persistente insecticiden in gebruik zijn: DDT, parathion. De Nigerdelta is drooggelegd. Het gaat daar niet goed.

Het weer? Gierzwaluwen zijn zeker gevoelig voor slecht weer, de plotselinge inval van erg koud weer met regen of natte sneeuw leidt soms tot massale sterfte (Ibis, 2007). Slecht weer rond de Middellandse Zee kan de terugkeer naar Nederland vertragen. Ook is het broedsucces afhankelijk van goed weer, zoals natuurlijk voor de hand ligt. Als het veel regent en waait zitten er maar weinig insecten in de lucht en is er weinig voedsel voor de jongen. Gierzwaluwen reageren er soms op door eieren uit het nest te gooien. De jongen kunnen zes dagen zonder eten en overleven in het uiterste geval door de lichaamstemperatuur flink te laten dalen: torpor. Maar dat het weer stelselmatig minder wordt is niet aangetoond.

Predatie? Een gierzwaluw vliegt meestal niet sneller dan zo’n 35 km/h maar kan, als hij wil of moet, makkelijk meer dan 100 km/h halen; dat is onlangs opnieuw door filmopnames bevestigd (Journal of Avian Biology, 2010). Hij is dus geen makkelijke prooi voor roofvogels.

In Amsterdam zijn het vooral boomvalken en – sinds kort – slechtvalken die achter gierzwaluwen aanzitten. Sommige boomvalken leggen zich helemaal toe op de gierzwaluwjacht. Volwassen gierzwaluwen kennen het gevaar en laten zich niet gauw verschalken. Maar jonge vogels worden pijnlijk makkelijk uit de lucht geplukt, zoals Pellenkoft uit eigen waarneming weet. Het lijkt erop dat de predatiedruk wel wat is toegenomen, ook door kraaiachtigen die nesten leeg halen.

Maar niets, herhaalt Pellenkoft, heeft zo’n desastreus effect als het afsluiten en verwijderen van de oude nesten. “Ik heb hier in de Jordaan huis aan huis zien renoveren: de ene na de andere kolonie verdween. Misschien dat het tij pas kentert als het dier officieel een bedreigde soort is geworden.”