Bezield

Schrijver Tommy Wieringa heeft een band met bomen.

Er ging een vermoeid ademende week voorbij; een moeheid die ik weet aan het uitblijven van regen. Het gras wordt al weer geel terwijl het voorjaar is. De struiken verdorren terwijl ze in een juichende bloei zouden moeten staan. Als een bezorgde boer tuur ik naar de hemel, naar de wolken die geen regen brengen en voel de droogte in mijzelf opkruipen. In de grijze schemering put ik emmers water uit de vaart en gooi ze uit aan de voet van vijf knotwilgen die ik vorig voorjaar op de dijk heb geplant.

Ik heb een sentimentele band met bomen, eenzijdig – ik verwacht geen antwoord. Toen mijn vader eens een bosje naaldbomen kapte bij ons huis, was ik zo boos en verdrietig dat hij nieuwe heeft geplant. Hij wist niets van mijn gevoelens voor die stille wijzen, en ik ook niet – tot ze weg waren. Ik beschouwde ze als deel van mezelf, net als de eikenbomen aan de weg en de lindeboom achter mijn slaapkamer, de grootste boom in de wijde omgeving, met een dichotome vertakking; een reuzenkatapult. In radeloosheid over de dingen die gebeurden legde ik soms mijn voorhoofd tegen zijn bast. Met dat alles was ik verbonden, op een dweperige, romantische manier; er was weinig grens tussen mij en de dingen op het erf van mijn vader, de bomen, de beek, de geurige vlierstruiken. (Niet alleen de mensheid, ook elk individu kent een voor-christelijke fase. Later gelooft hij misschien in een almacht, in de wetenschap of de literatuur, hij wordt een modern mens, maar zijn oergrond is magisch, heidens.)

Sommigen verlaten het geloof in een levende, bezielde natuur nooit. In Het rusteloze graf van Palinurus lees ik een fragment over een oeroude wijze, de wijste man ter wereld. Zijn boodschap beperkt zich tot dit ene gebod: ‘Dulden!’ Een rivaal (in wie we een modern mens herkennen) daagt hem uit tot debat: „‘Jij zegt ‘dulden’, maar ik wil niet dulden. Ik wil beminnen en bemind worden, veroveren en scheppen, ik wil weten wat het goede is, het dan doen en gelukkig zijn.’ Er kwam geen antwoord en toen hij het oude wezen beter bekeek, ontdekte zijn tegenstander dat het bestond uit een eigenaardig gevormd stuk rots waarop een gehavende doornstruik wortel had geschoten die door een optische illusie de indruk gaf van haren en een baard. Triomfantelijk maakte hij de autoriteiten op het misverstand opmerkzaam, maar zij waren niet van hun stuk gebracht. ‘Mens of rots’, antwoordden zij, ‘is er werkelijk verschil?’” Op dat moment weergalmde de wind in de met mos begroeide mondopening: ‘Dulden!’