Ben je geen ja-zegger? Vergeet dan een politieke carrière. Die drijft op slippendragers zonder boodschap aan kiezers, stelt Thierry Baudet.

Alle belangrijke politieke posities in Nederland worden bekleed door partijleden die zich populair hebben gemaakt bij de partijtop. Alle ministers, burgemeesters, Eerste Kamerleden, commissarissen der koningin, prominente gemeenteraadsleden en kandidaten voor internationale baantjes zijn partijpolitici. Zij danken hun positie niet primair aan objectieve deskundigheid of aan een electoraat. Zij danken hun positie aan het handjevol mensen rond de leider van hun partij.

Nooit worden mensen benoemd die geen partijlid zijn. Nooit worden mensen benoemd die zich binnen de partij hebben geprofileerd als buitenstaander. Bijna alle ‘gekozen’ politici – Kamerleden, gemeenteraadsleden, leden van de Provinciale Staten – worden door helemaal niemand gekozen. Zij verwerven hun positie op de slippen van de lijsttrekker of de partijtop. Aan hen wordt vervolgens, vanzelfsprekend, loyaliteit verwacht. Het is nauwelijks een overdrijving om te stellen dat de Tweede Kamer geen 150 onafhankelijke leden telt, maar slechts zoveel leden als er fractievoorzitters zijn. De rest van de Kamer doet allerlei onderzoekswerk, onderhoudt contacten met de achterban en vangt soms de klappen op van impopulaire maatregelen, maar een zelfstandige stem hebben ze niet.

Het is al zo oud als de politiek zelf dat politici zich in ‘facties’ organiseren, maar tegenwoordig torenen die facties uit boven individuele politici. Wat eerst een middel was, werd een doel op zich. Partijleden worden niet meer geacht om vanuit hun eigen inschatting tot een persoonlijk oordeel te komen. Ze worden geacht om de beslissing van de partijleiding te volgen. Wil de leiding geen generaal pardon, dan is de CDA-fractie unaniem tegen (in 2006). Wil de leiding dat wel, dan is diezelfde fractie unaniem voor (in 2007). Heeft de VVD een meerderheidje nodig in de Eerste Kamer? Dan wordt de zondagsrust ook in de Tweede Kamer een thema. Ook al was Bos als enige PvdA-bewindsman tegen verlenging van de missie in Uruzgan (zoals is gebleken uit Wikileaks), de sociaal-democraten waren plots collectief om toen electorale winst viel te behalen.

Dit gegeven is dodelijk voor de democratie. Het past al evenmin in onze Grondwet. Het is de directe oorzaak van de veelbesproken ‘kloof’ tussen burger en politiek. Het verklaart voor een belangrijk deel waarom buitenstaanders – oftewel ‘populisten’ – zo succesvol zijn. Wie gelooft immers in geforceerde verkiezingsretoriek, waarin steeds maar weer dezelfde machtspartijen die uiteindelijk toch weer onderling de baantjes verdelen, elkaar ‘stevig van repliek’ dienen? Wie schiet niet in de lach als we deze politici horen kraaien dat „de burger aan het woord” is?

De essentie van democratische politiek is de afstand tussen het parlement en de regering – dualisme. Die afstand waarborgt een kritische controlefunctie van het parlement, opdat de regering niet zomaar kan doen wat ze wil. Die afstand maakt het mogelijk dat bestuurlijk initiatief nu eens bij de een en dan weer bij de ander komt te liggen. Zonder dualisme hebben we geen democratie.

Dit dualisme is verdwenen. De parlementaire meerderheidscoalitie bepaalt doorgaans volledig wat in de ministerraad gebeurt. De oppositie staat meestal volkomen buitenspel. Het politieke debat in de Tweede Kamer is de facto overbodig geworden. Alle beslissingen zijn toch al genomen door de partijleiding. Er valt gewoon niets te debatteren.

Een veelgehoorde mogelijkheid om parlementariërs een sterker individueel mandaat te geven en zo het dualisme te herstellen, is de invoering van een districtenstelsel. Dat zal alleen nooit worden ingevoerd. Voor invoering ervan is een grondwetswijziging nodig. De zittende macht zal die wijziging nooit toestaan, omdat ze eraan onderdoor zou gaan.

Een sterker individueel mandaat voor de parlementariërs kan gelukkig ook worden bereikt door een veel kleinere en ogenschijnlijk minder gevaarlijke aanpassing – maak het aantal voorkeursstemmen dat parlementariërs hebben verkregen dwingend voor hun positie op de lijst. Daardoor kunnen de hoog op de lijst geplaatste favorieten van de partijtop worden ‘weggespeeld’ door populairdere luizen in de pels.

Denk aan de Tweede Kamerverkiezingen van 2003. VVD’er Anton van Schijndel kwam toen met meer dan twaalfduizend voorkeurstemmen niet in de Kamer terecht, ook al trok hij drie keer zo veel kiezers als Jozias van Aartsen. Of neem de Kamerverkiezingen van 2007. De inmiddels gezichtsbepalende politici Paul de Krom (VVD), Jeroen Dijsselbloem (PvdA) en Sybrand van Haersma Buma (CDA) kwamen toen de Kamer in met niet meer dan respectievelijk 591, 706 en 811 voorkeurstemmen. De kampioen ‘weinig stemmen halen’ van de Kamerverkiezingen van 2010 was PVV’er James Sharpe. Hij werd verkozen door slechts 148 mensen.

Het is duidelijk dat door het aantal verkregen stemmen dwingend te maken voor de volgorde op de lijst, nieuwe – andere – gezichten gemakkelijk op eigen kracht de Kamer kunnen binnenkomen. Dit is een nachtmerrie voor partijleiders. Zij willen hun machtsbasis consolideren. Het is een zegen voor de democratie. Als parlementariërs hun eigen electorale machtsbasis verwerven, zijn ze aan dat electoraat verantwoording verschuldigd voor hun stemgedrag. Met deze kleine ingreep zal de ijzeren fractiediscipline binnen korte tijd scheuren beginnen te vertonen. De Kamer zal representatiever en diverser worden.

Ook moet de minister-president een sterker individueel mandaat krijgen. Alleen zo kan hij onafhankelijk van de parlementaire partijtop opereren en het dualisme helpen terugbrengen in de politiek. Het door onze Grondwet volkomen ondersteunde – en in de tijd van Johan Rudolph Thorbecke vanzelfsprekende – ‘minderheidskabinet’ biedt hiervoor een uitgelezen mogelijkheid. Het kabinet-Rutte is een stap in de goede richting, maar nog altijd veel te voorzichtig van opzet.

Laat niet de koningin, maar de Staten-Generaal een formateur – dus premier – benoemen. Laat hem vervolgens naar eigen inzicht zijn kabinet samenstellen, op basis van het ontvangen vertrouwen van de Kamer. De minister-president zal meer vrijheid kunnen nemen bij de ministerssamenstelling dan nu het geval is. Aangezien nog niet eens 1 procent van de bevolking actief lid van een politieke partij is, snakt ons land naar een aantal niet-partijpolitieke benoemingen. Weg met het gedetailleerde regeerakkoord, waarmee de Kamer zich voor vier jaar vastlegt. Laat de regering zich maar bewijzen. Als ministers niet meer automatisch op meerderheidssteun vanuit de Kamer kunnen rekenen, dwing je het politieke debat terug naar waar het hoort – het parlement. Vanwege het zoeken naar gelegenheidscoalities zal de Kamer al snel weer het centrum worden van politiek debat. Zoals ook het zittende kabinet – een eerste stap in de richting van een dergelijk systeem – al heeft laten zien, realiseert de regering bepaalde doelstellingen op deze manier nu eens over links en dan weer over rechts. Ook de Kamer zelf kan bij zo’n minderheidskabinet een flinke duit in het zakje doen, door creatief gebruik te maken van het initiatiefrecht.

Door deze kleine ingrepen zal de landelijke politiek plotseling openbreken. Het is een simpel medicijn tegen een ernstige ziekte, maar we zijn er nog niet. Nog een derde ingreep is nodig.

Een groot deel van de machtsbasis van de landelijke politieke partijen is gebaseerd op het gegeven dat zij heersen over de gemeentelijke politiek. Gemeentelijke verkiezingen gaan daardoor helemaal niet meer over de gemeentepolitiek. Ze zijn een landelijke populariteitspoll geworden – een oefenwedstrijd voor de campagnemachines van de machtspartijen. Bovendien bepaalt de landelijke partijtop wie de lijsten in de grote steden aanvoert en welk beleid wordt gepropageerd. Bij die omstandigheden nog van gemeentelijke democratie spreken, is een farce.

De Groningse hoogleraar Frank Ankersmit is een van de velen die hierop kritiek uitte, naar aanleiding van de jongste gemeenteraadsverkiezingen, van maart 2010. In NRC Handelsblad van 20 februari 2010 schreef hij dat het „heel verkeerd” is dat „landelijke politieke partijen ook de gemeentelijke verkiezingen domineren. (…) Als je volhoudt dat je op het lokale politieke niveau een bestuurlijke problematiek hebt die een geheel eigen bestuursvorm – de gemeente – vereist, dan is het in strijd met alle logica om die lokale bestuurlijke problematiek aan te pakken met het instrument van de landelijke politieke partijen.”

De gemeente is niet alleen een geheel eigen bestuursvorm, met een eigen problematiek, waardoor landelijke campagnes met landelijke thema’s onzinnig zijn. Die eigen gemeentelijke bestuursvorm is volgens velen, onder wie Alexis de Tocqueville en Thorbecke, ook nog eens de belangrijkste bestuurslaag voor de democratische maatschappij. Het gemeentelijke niveau betrekt burgers direct bij de politiek, stelt hen in staat om actief te participeren en medeverantwoordelijkheid te dragen voor het openbaar bestuur, zonder meteen landelijke issues te hoeven benoemen in een ideologisch partijkader. De gemeente voedt de democratische cultuur, die van onderop de samenleving schraagt.

Om de democratie op het gemeentelijk niveau terug te brengen, moet de machtsbasis van landelijke partijen over het gemeentelijk bestuur worden gebroken. Dat zou natuurlijk weer kunnen door een ingewikkelde grondwetswijziging die – het is een terugkerend thema – toch nooit zal worden doorgevoerd. De burgemeester direct kiezen is zo bedreigend voor de partijelites dat ze altijd wel een argument zullen vinden om invoering ervan te dwarsbomen.

Ook op dit vlak bestaat een alternatief om de partijoligarchie te breken. Dat vereist geen grondwetswijziging. Laat de gemeenten zelf hun verkiezingen uitschrijven. Door de gemeenteverkiezingen afzonderlijk per gemeente te organiseren, vallen de gemeentelijke verkiezingen niet meer in heel Nederland op dezelfde dag. Het hele jaar door wordt dan altijd wel ergens in een gemeente een verkiezing gehouden. Dit maakt het onmogelijk voor landelijke politici om zich daarmee nog bezig te houden. Daardoor krijg je dus eindelijk weer gemeentelijke politiek. Het wordt ook mogelijk dat colleges van B&W ‘vallen’ omdat gemeentes nu zelf hun verkiezingen kunnen uitschrijven. Burgers kunnen veel gemakkelijker direct hun stem laten horen en actief participeren en – indien ze dat wensen – vanuit hun gemeentelijke machtsbasis onafhankelijk deelnemen aan het landelijke publieke debat.

Niemand kan ontkennen dat in ons land sprake is van een ernstige vertrouwenscrisis tussen de burger en de politiek. Kijken we naar de ondemocratische wijze waarop Nederland wordt bestuurd, dan valt dit gebrekkige vertrouwen van burgers goed te begrijpen. We moeten mensen met eigen ideeën weer een kans geven in de politiek. We dienen ons dus te ontdoen van de ijzeren greep waarin partijen onze samenleving gekneld houden. De drie voorgestelde aanpassingen leiden niet tot een revolutie, maar brengen een geleidelijke, doch zeer duidelijke verschuiving teweeg, van oligarchie naar democratie. Maak het aantal verkregen voorkeurstemmen dwingend voor de positie op de lijst. Laat de Staten-Generaal een direct en individueel mandaat geven aan de premier. Decentraliseer de gemeenteraadsverkiezingen. Alleen door het volk meer vertrouwen te geven, kan het vertrouwen van het volk in de politiek worden hersteld.

Thierry Baudet (1983) studeerde rechten en geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was programmamaker en presentator op Amsterdam FM en BNR Nieuwsradio. Hij werkt op de Universiteit Leiden aan een proefschrift over nationale soevereiniteit.

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

Bij het artikel Ben je geen ja-zegger? Vergeet dan een politieke carrière. Die drijft op slippendragers zonder boodschap aan kiezers (4 juni, pagina 34) is niet vermeld dat het komt uit de essaybundel Dappere nieuwe wereld. Die wordt gepresenteerd op 8 juni in Felix Meritis in Amsterdam.