Agnosticisme is niets meer dan een laf ongeloof

De kerk bezoeken we niet meer. In plaats daarvan doen we aan zielsverhuizing en wichelen. De ergste ietsisten zijn evenwel de agnosten, betoogt Anton van Hooff.

In Nederland wordt me wat afgeloofd. Dat toont Joep de Hart aan in zijn net verschenen boek Zwevende gelovigen. Oude religie en nieuwe spiritualiteit, waarvan NRC Handelsblad op 25 mei een resumé gaf. Moderne gelovigen hebben geen boodschap meer aan het adagium ‘buiten de kerk geen heil’ – extra ecclesiam nulla salus. Georganiseerd geloven in een kerk lijkt een langzame, maar onherroepelijke dood te sterven.

In mijn jeugd was 42 procent van de bevolking lid van de Rooms-Katholieke Kerk. Met angst en beven werd door protestanten uitgekeken naar de uitslag van de volgende volkstelling. Door hun ongeremde voortplanting zouden de paapsen wel eens de meerderheid kunnen vormen. Vijftig jaar later is het officiële aandeel van katholieken gedaald tot 29 procent van de bevolking. Van deze groep gaat nog maar 7 procent wekelijks naar de kerk. De andere 93 procent verspeelt het eeuwige heil. ’s Zondags niet naar de kerk gaan was indertijd het grote voorbeeld van een doodzonde – zoals cabaretier Fons Jansen spottend de katholieke zondeleer weergaf: „Het begint met moord en eindigt met ’s zondags niet naar de kerk gaan.”

Niet alleen zorgt de vergrijzing voor een gestage afkalving, maar ook geeft het lidmaatschap van een kerk niet langer maatschappelijk prestige. Een studie van de Northwestern-universiteit en de Universiteit van Arizona wijst erop dat deze sociologische factor in negen moderne landen op termijn fataal zal zijn voor georganiseerde religie. Als de trend doorzet, is in Nederland de kerkelijke God binnen veertig jaar dood.

Het is nog lang niet gedaan met geloven. Hier te lande wordt massaal gemediteerd, gewicheld (onder anderen door Neelie Kroes), horoscoop getrokken, aan new age gedaan, in zielsverhuizing geloofd en zogeheten alternatieve geneeskunde toegepast. Dit laatste fenomeen is niet voor niets uiterst populair in het zeer atheïstische Oost-Duitsland. Een uitspraak wordt bewaarheid van G.K. Chesterton (1874-1936) – dat het geloof in medicijnmannen toeneemt als de kerken leeg raken.

Zelfs prominente humanisten schamen zich niet om te spreken van spiritualiteit en zingeving en om aan meditatie te doen. De onlangs overleden Ilja Maso, eertijds rector van de Universiteit voor Humanistiek, heeft inmiddels de juistheid kunnen ervaren van zijn geloof in een voortleven.

De meest onhebbelijke ietsisten zijn de agnosten – Grieks voor ‘niet-weters’. Ze lijken de rede aan hun zijde te hebben als ze ernstig verklaren dat ze geen enkele mogelijkheid uitsluiten, dus ook niet het bestaan van een god. Zo kun je ook niet helemaal uitsluiten dat de Eiffeltoren in Londen staat. Via een beroep op de quantumtheorie is ongetwijfeld een theorie te bedenken dat de visuele waarneming van het Parijse icoon berust op zinsbegoocheling. Je zou het ook niet volstrekt ondenkbaar kunnen achten dat mensen op de zon wonen. Toch zal niemand dat beweren. Het is redelijk om het onredelijke uit te sluiten. En God is de onwaarschijnlijkste hypothese.

Het agnosticisme, op het eerste gezicht het toppunt van redelijkheid, is een gebrek aan geestelijke moed. In dit opzicht onderscheidt het zich niet van godsgeloof. Net als godsgeloof is het een laffe vorm van onwetendheid. Ik weet het niet, dus het moet God zijn. De echte godvrije durft gewoon te zeggen dat hij veel (nog) niet weet, maar hij neemt God niet in aanmerking.

Anton J.L. van Hooff is klassiek historicus te Nijmegen en voorzitter van de Atheïstisch-Humanistische Vrijdenkersvereniging De Vrije Gedachte (sinds 1856).