'Af en toe een stapje terug voor het overzicht'

Architect Hans van Beek over zijn lievelingshuis in de Haagse duinen.

Hans van Beek (1942) woont met zijn vrouw Karin al ruim dertig jaar bijna bovenop hun werk; het architectenbureau AtelierPRO, dat gedeeltelijk onder hun tuin, letterlijk in de Haagse duinen is gebouwd. Het kantoor- complex biedt ruimte aan zestig medewerkers.

Hun dochters Mira en Joeri groeiden op in het huis. Ook zij werken intussen bij het bureau. Vier kleinkinderen komen graag spelen in de tuin met kabelbaan.

Bovenop je werk leven, is dat plezierig, of lastig in uw vak?

„Zo dicht erop, dan wordt werk bijna een tweede natuur. Je zit direct op alles. Dat geeft ook een belasting, hoewel ik heb afgeleerd ’s avonds het licht uit te gaan doen als iemand het heeft laten branden. Ik leerde van mijn oudere collega Gerard Schouten af en toe afstand te creëren. Jarenlang huurden we daarom elke maand een paar dagen zijn huisje op Vlieland. Dat stopte na zijn overlijden in 2000. We kochten iets op Terschelling, heel klein, zicht op zee. Het lijkt op kamperen. Elke maand zijn we er een week. Die afstand is nodig om ons werk goed te doen en lang vol te houden. Een stapje terug, om overzicht te houden.”

Hoe kwamen u en AtelierPRO hier in de duinen terecht?

„De architect Dirk Roosenburg ontwierp dit huis en vanaf 1921 woonde en werkte hij er. Zijn atelier is dit [klopt in het kantoor op een rabat-houten binnenwand]. Als je er geen oog voor hebt, lijkt het een troep, maar wij hebben het atelier bewust opgenomen in onze kantoorruimtes. Roosenburg was een groot architect, leerling van Berlage. Toen het huisje te klein werd voor zijn gezin met zes kinderen, en bovendien een dienstbode en een gouvernante elk in een kamertje van 2 bij 2 meter, bouwde hij in de tuin een logeerhuis. Daar woonde een poosje het gezin van zijn dochter met zijn kleinzoon, de latere architect Rem Koolhaas. Kijk, de schouw in ons huis bestaat uit oranje geglazuurde stenen, door Berlage afgekeurd voor het Jachthuis Sint Hubertus.”

De kamers in uw huis zijn niet groot, de plafonds zitten laag, alle ramen kijken uit op de tuin. Hebt u veel verbouwd?

„Nauwelijks. Deze lage plafonds zouden tegenwoordig niet mogen [raakt, met gestrekte arm, met de vingertoppen het plafond aan]. Maar daardoor is de trap kort en de bovenverdieping heel dichtbij. Wij hadden met onze twee dochters genoeg ruimte, het is mooi van maat. Vrienden wonen soms in enorme panden, maar die vul je met z’n tweeën niet. Het huis is echt vormgegeven, en dat beperkt bijvoorbeeld het ophangen van kunst. Dat zou enorm detoneren.”

Vanuit huis is het kantoordeel nauwelijks te zien, en toch ligt het vijf meter van hier, deels onder uw tuin.

„Wij hadden telkens een stukje kantoor meer nodig. Eerst groeven we kelders met direct licht via roosters. En daarna legden we ondergronds in het duin extra kantoren. Ik heb een tuin-tic, met een negen voor biologie en twee negens voor wiskunde wilde ik tuinarchitectuur gaan doen, maar het werd de Academie voor Bouwkunst in Rotterdam. De tuin doe ik zelf, totdat al mijn vrije tijd erin opging. Er is zoveel hier te doen, dat je niet meer van je terrein afkomt. Ik verbood mezelf er zoveel tijd in te steken. Eén avond in de maand komt er een biologe, dan werken vrijwilligers van kantoor met haar en mij mee, we eten na afloop samen. Iedereen moet eens per jaar intekenen voor tuinwerk. Er zit best wat in: je praat op een andere manier met collega’s.”

De door u bewonderde Gerard Schouten zag architectuur als een middel op weg naar een opener samenleving. Is dat een gedateerde gedachte?

„Het idee van een ‘maakbare samenleving’ is helaas afgeserveerd.Maar samenhang is echt nodig. Voorwaarden stellen komt weer in de schijnwerpers, daar ben ik van overtuigd. Er wordt nu gezegd: als iedereen z’n eigen huis gaat bouwen, komt het wel in orde. Zonder totaalbeeld ook geen gedeeld belang – daarvoor is een plan nodig. Ik zou nooit zelf een huis bouwen in een gebied zonder plan. Jij doet je best, maar er gebeurt niets samen.

„We gaan nu tien jaar klooien tegemoet, zonde. Voorbeelden hebben we nodig. Professionals weten dit, ze moeten veel meer hun stem verheffen. Nederland werd wereldberoemd met zijn traditie van ruimtelijk ordenen. Logisch in een klein land. Maar nu iedereen meer ruimte nodig heeft, om te wonen en te bewegen, laten we het los. We lijken wel gek! Het oude regime was natuurlijk te rigide, je moest maar een huis nemen zoals het was opgeleverd. Bouwen en ordenen bepalen wel voor een deel de mentaliteit in de samenleving.”