Aandacht voor het lijf

Menno Steketee kan niet slapen. Een holistische massage blijkt te helpen.

Placebo-effect. Wanneer je mensen vertelt dat je alternatieve therapeuten bezoekt, in dit geval om van een zanikende slapeloosheid af te komen, valt de term vroeg of laat. Dit fenomeen behelst de heilzame werking van iets waarvan de patiënt dénkt dat het geneest.

Het is in zekere zin vergelijkbaar met het werk van de Russische fysioloog Ivan Pavlov. Het Pavlov-effect omschrijft hoe een hond zijn maagsappen laat lopen bij het horen van een bel, die zijn baasje eerst luidde bij het aanbieden van een bord vreten. Pavlov heeft hierover nog een onuitgegeven polemiek gevoerd met Placebo.

Het effect is aantoonbaar bij een bittere maar inerte pil, effectiever bij een loze injectie en op zijn sterkst bij een chirurgische ingreep die alleen wat littekenweefsel produceert. De show, de hocus pocus, is dus belangrijk. Wat bij alternatieve geneeskunde kermistruc is en wat niet, valt moeilijk aan te wijzen. Maar ik neig doorgaans naar honderd procent.

Mijn eerder verkondigde scepsis in dezen maakt het des te dapperder van de Amersfoortse massagetherapeute Nienke van therapiepraktijk Ak Djol om me uit te nodigen voor een sessie ‘holistische massage’. Ak Djol laat zich niet vertalen door Google. Dat is niet zo vreemd. Het is volgens de massagetherapeute Kirgizisch, een van de weinige talen die google niet kan omzetten. Nienke deed in Kirgizië antropologisch veldwerk, vandaar. Ak Djol betekent letterlijk ‘witte weg’, vrij vertaald ‘goeie reis’.

Ik ga zitten in de spreekkamer. „Jij hebt het in die sceptische stukjes van je altijd over de therapieën, maar nooit over jezelf”, zegt Nienke, nuchter ogend, van huis uit cultureel antropologe. „Dat soort therapieën leert je beter jezelf te observeren.” Fair enough. Maar hoe moet dat dan? „Simpel, ik raak je met mijn handen aan en jij vertelt gewoon wat je daarbij voelt. Er moet contact zijn tussen lichaam en geest, je bewustzijn en je onderbewuste.”

Ik mag half ontkleed op mijn buik op een massagebank liggen, het hoofd in zo’n stoffen ring, met panorama over de vloer. Ze legt haar handen op mijn rug die is bedekt met een handdoek. „Wat voel je?” Ze voelen zacht en koel.

Dat is goed. „Sommige anderen voelen dit als beklemmend.” Ze stelt een hoop vragen, waar ik naar beste weten antwoord op geef. Een patroon haal ik er niet uit.

Dan kneedt ze één voet en vraagt naar de verschillen in gevoel ten opzichte van mijn andere voet. Maar ik kan haar hand ook makkelijk níet voelen, terwijl hij erop ligt. Dat kan ik zó uitschakelen. „Wat bedoel je?”

Hier valt het moment dat ik iets opsteek. Vroeger had ik last van astma. Die is goeddeels geweken, maar dat maakt wel dat je de rest van je leven letterlijk en figuurlijk bij de deur wilt zitten, voor als je frisse lucht nodig hebt. Tegelijkertijd leer je dat je lijf een onbetrouwbaar sujet kan zijn, iets wat je soms maar het beste kunt negeren. Zo leer je gevoel uitzetten. Tot groot vermaak van mijn kinderen doet kietelen me ook niets, als ik dat wil. „Lijkt me reuze handig”, zegt Nienke.

Nu ben ik wel scepticus in hart en nieren, maar verder nergens. Dus het lijkt me geen grote stap naar de theorie dat ik overdag niet naar mijn lijf luister. En dat dit ’s nachts daarvoor verhaal bij me komt halen. De afgelopen weken heb ik weer vaker wél dan niet de zon zien opkomen – insomnia heeft voordelen.

Meer aandacht voor het lijf, is het devies. „Dan ontspan je vanzelf ook beter.” Daar is een simpele truc voor. „Wanneer je wakker wordt, moet je gewoon aan je voet denken, en dan aan je andere voet. En vervolgens aan al je andere lichaamsdelen. Dat ontspant.” Hocus pocus? Mogelijk, maar we zijn de afgelopen nachten inderdaad een paar keer in elkaars armen in slaap gevallen, mijn lichaam en ik.