Was Gandhi gay?

Eerder dit jaar verscheen Great Soul, Mahatma Gandhi and his struggle with India van Jospeh Lelyveld, gerenommeerd journalist, Pulitzerprijswinnaar. Lelyveld beschreef de ‘formative years’ van Gandhi, zijn tijd als jonge advocaat in Zuid-Afrika toen hij zich voor het eerst ging verzetten tegen het Britse kolonialisme. Er kwamen twee schokkende feiten uit. 1: Gandhi kon op het racistische af over de zwarte bevolking van Zuid-Afrika spreken. 2: Gandhi had een liefdesrelaties met Hermann Kallenbach, een Duitse Joodse bodybuildende architect.

Dat eerste viel in zijn nieuwswaarde mee, want ja, Gandhi kon soms ongenuanceerd spreken, maar dat was vroeger, toen iedereen dat deed, voordat zijn wijsheid zich had ontwikkeld. Maar dat tweede was een tackle op de knieën van zijn heiligenstatus. In delen van India werd het boek verboden en in toonaangevende opiniebladen werd het ontkend of werd Lelyveld sensatiezucht verweten.

Lelyveld schreef het nog zo voorzichtig op. Hij categoriseerde hun band nauwelijks, maar citeerde ruim uit hun correspondentie, die, inderdaad, zo geëxalteerd en lyrisch was dat vandaag je gaydar er aardig van gaat rinkelen, of piepen, of vibreren, of wat zo’n ding ook doet.

Deze week had ik Great Soul in mijn handen. Harde kaft. Fijn historische foto op het omslag, tabaksgetint, reliëfletters die als braille onder je vingertoppen voelen, de aangename, plechtige zwaarte van het totaal – wat is een boek toch een fysieke ervaring - het knisperen van het papier als je je duim er langs drukt – heeft de iPad daar al een App voor?

Toch kocht ik het niet.

Wel zag ik deze week Gandhi, de movie, de klassieker van regisseur David Attenborough. Won tig Oscars. Duurt 191 minuten. Blueray, lag al maanden te verstoffen.

Begin van de film: Gandhi (Ben Kingsley) leidt een journalist rond over zijn ashram, op het Afrikaanse platteland, vertelt dat mensen hem vrijwillig helpen, ‘bijvoorbeeld deze meneer, op het dak’. En daar zit hij, zonder shirt, schrijlings op het dak wat te hameren, Hermann Kallenbach. Fysieke vent, gezicht als een karbonade, gespierd, besnord, blos op zijn wangen.

Door de hele film heen, meer dan drie uur, heeft Kallenbach misschien twee regels tekst. Hij voegt niets aan het verhaal toe – maar toch is hij daar, loopt hij steeds twee passen achter Gandhi. De paar keer dat de camera zich op hem richt, als Gandhi hem aanspreekt, kijkt hij vlug weg, altijd met die blos op zijn wangen.

Wat wist Attenborough? Hij had decennia aan Gandhi gewerkt, India talloze keren bezocht, met allerlei mensen gesproken die Gandhi hadden gekend. Toen de film uitkwam, in 1982, kon Kallenbachs wegkijken beschouwd worden als verlegenheid. Maar nu is het iets anders: nu lijkt zijn wegkijken eerder passief-agressief, schalks, uitdagend. Er is een spanning.

Attenborough wist iets.

JOOST DE VRIES